ECLI:NL:RBDHA:2026:18906

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
09-282343-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor medeplegen diefstal met geweld en mishandeling

De rechtbank Den Haag heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2007, die werd verdacht van medeplegen van diefstal met geweld, mishandeling en diefstal van een telefoon. De feiten vonden plaats in september 2025 in Rotterdam en Leidschendam. De verdachte verbleef in voorlopige hechtenis in een jeugdinrichting.

De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte samen met een medeverdachte telefoons en geld heeft gestolen met geweld en bedreiging, mishandeling heeft gepleegd door duwen, slaan en trekken aan het haar, en een telefoon heeft gestolen. Voor het medeplegen van de diefstal van de telefoon werd de verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs van nauwe samenwerking. De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen bij de mishandeling, gezien de nauwe en bewuste samenwerking.

De strafmaat omvatte 120 dagen jeugddetentie waarvan 41 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 120 uur. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de jonge leeftijd van de slachtoffers, het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder geestelijke gezondheidsproblemen en positieve stappen in de jeugdinrichting. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, deels op basis van schattingsbevoegdheid, en werd een contactverbod met de medeverdachte opgelegd.

De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op waaronder begeleiding door de jeugdreclassering, verblijf bij Optica Zorg en medewerking aan hulpverlening. De voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht op de onvoorwaardelijke jeugddetentie. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade samen met de medeverdachte, met een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie (waarvan 41 voorwaardelijk) en 120 uur werkstraf voor medeplegen diefstal met geweld en mishandeling, met schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-282343-25
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
op dit moment in voorlopige hechtenis verblijvende in Rijks Justitiële
Jeugdinrichting [jeugdinrichting] in [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 25 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R. Schiphuis en de raadsman van de verdachte is mr. A.C. van ’t Hek te Dordrecht. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. het in vereniging plegen van een diefstal van één of meer telefoons en/of geld met geweld jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 14 september 2025 te Rotterdam;
2. mishandeling van [slachtoffer 3] op 20 september 2025 te Leidschendam door haar (meermaals) te duwen, slaan, een knietje in het gezicht te geven en/of aan (de haren van) haar te trekken;
3. het in vereniging plegen van een diefstal van een telefoon van [slachtoffer 3] op
20 september 2025 te Leidschendam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen van feit 3.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman namens de verdachte vrijspraak bepleit. Voor feit 3 heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit, namelijk voor zover dit ziet op het medeplegen en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft voor de feiten 1, 2 en 3 in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverweging feiten 2 en 3
Medeplegen mishandeling
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger van de mishandeling van aangeefster [slachtoffer 3] op
20 september 2025 in Leidschendam kan worden aangemerkt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op het moment dat de aangeefster het terrein van [jeugdinstelling] op loopt, de verdachte en de medeverdachte in de richting van de aangeefster rennen. De verdachte is degene die daarbij voorop rent. Wanneer de verdachte en de medeverdachte tegenover de aangeefster staan, ontstaat er geduw en getrek. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin een beschrijving van de camerabeelden wordt gegeven, volgt dat de verdachte degene is die als eerste een slaande beweging lijkt te maken in de richting van de aangeefster. Niet veel later duwt de verdachte tegen de zij van de aangeefster en maakt de aangeefster een slaande beweging in de richting van de verdachte. De medeverdachte trekt de aangeefster vervolgens weg bij de verdachte en daarna slaan de medeverdachte en aangeefster elkaar. De medeverdachte pakt de aangeefster bij haar haren vast. Tijdens de worsteling tussen de medeverdachte en de aangeefster, valt er iets (naar later blijkt: de telefoon van de aangeefster) op de grond. Op de beelden is te zien dat de verdachte bukt en deze oppakt. Ondertussen trekt de medeverdachte weer aan het haar van de aangeefster en geeft zij haar een knietje tegen haar hoofd.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en de medeverdachte allebei geweld tegen de aangeefster hebben gebruikt. De geweldshandelingen van de verdachte en de medeverdachte hebben elkaar opgevolgd en zij hebben elkaar daarmee in hun handelen richting de aangeefster versterkt. Dit getuigt van een nauwe en bewuste samenwerking en dus is sprake van medeplegen. Voor het bewijs van medeplegen van de gedragingen waarvan de verdachte wordt verdacht, maakt het in beginsel niet uit wie welk geweld heeft gebruikt. Deze onderlinge samenwerking brengt met zich mee dat het geweld dat is gepleegd door de medeverdachte tevens voor rekening van de verdachte komt. De rechtbank is daarom van oordeel dat alle handelingen zoals deze ten laste zijn gelegd wettig en overtuigend bewezen zijn.
Diefstal telefoon
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de diefstal van de telefoon in vereniging heeft gepleegd. Uit het dossier en hetgeen de verdachte ter zitting heeft verklaard volgt dat de verdachte de telefoon van de aangeefster heeft gepakt op het moment dat de medeverdachte in gevecht was met de aangeefster. De medeverdachte heeft verklaard dat zij pas wist dat de verdachte de telefoon had meegenomen, op het moment dat zij en de verdachte van het terrein van [jeugdinstelling] wegliepen. Gelet daarop kan niet worden geconcludeerd dat bij de diefstal van de telefoon sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de telefoon van [slachtoffer 3] op 20 september 2025 in Leidschendam heeft gestolen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zij op 14 september 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, telefoons en geld (5 euro), die aan [slachtoffer 1] en F. [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal gemakkelijk te maken
enom het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermaals (in het gezicht) te slaan en
teschoppen en
- meermaals parfum te spuiten in de ogen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
2
zij op 20 september 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermaals te duwen,
teslaan, een knietje in het gezicht te geven en aan (de haren van) die [slachtoffer 3] te trekken;
3
zij op 20 september 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, een telefoon (Samsung Galaxy J9), die aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 103 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd en in aanvulling daarop een contactverbod met de medeverdachte en het verblijven bij en het zich houden aan de regels van Optica Zorg.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet daarop is verzocht om geen langere jeugddetentie op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts is verzocht om, als stok achter de deur, een volledig voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Een contactverbod met de medeverdachte als bijzondere voorwaarde wordt niet nodig geacht.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een week tijd schuldig gemaakt aan drie delicten, waarbij zij twee keer geweld heeft gebruikt. De verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers en hen pijn en letsel toegebracht. De verdachte en de medeverdachte hebben bij de diefstal met geweld twee slachtoffers van slechts 11 en 12 jaar oud op klaarlichte dag in een speeltuin bestolen van hun telefoons en vijf euro. De verdachte en medeverdachte hebben de slachtoffers opgewacht onderaan de glijbaan, waar de jongens aan het spelen waren en hen vervolgens gedwongen de bosjes in te gaan, waar zij kleding uit moesten trekken en op hun knieën moesten zitten. Ook is de bril van één van de slachtoffers bewust kapot gemaakt en vervolgens weggegooid en is er meerdere keren parfum in de ogen van de slachtoffers gespoten, waarbij de ogen van de slachtoffers werden opengehouden. Daarnaast zijn de slachtoffers geslagen en geschopt. Samen met de medeverdachte heeft de verdachte de jonge slachtoffers vernederd en angst aangejaagd. De verdachte heeft met haar handelen er geen enkele blijk van gegeven rekening te houden met de gevolgen daarvan. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.
Nog geen week na de diefstal met geweld heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een diefstal van een telefoon. De verdachte heeft de mishandeling met dezelfde medeverdachte gepleegd als de diefstal met geweld. Hoewel ook het slachtoffer heeft geslagen, is er sprake geweest van een situatie waarbij de verdachte en de medeverdachte zich tegen het slachtoffer hebben gekeerd terwijl zij alleen was. Tijdens de mishandeling heeft de verdachte de telefoon van het slachtoffer gestolen. De verdachte heeft hiermee aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat zij op 14 maart 2026 bij strafbeschikking een geldboete opgelegd heeft gekregen wegens het overtreden van de APV. Gelet daarop is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 15 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat er verschillende risicofactoren aanwezig zijn die de kans op recidive verhogen. De verdachte heeft een belast verleden waarin zij veel verschillende woonplekken heeft gehad en zelfs anderhalf jaar op straat heeft geleefd. Er zijn veel zorgen over de geestelijke gezondheid van de verdachte. Zo kampt zij met dwanggedachten die een grote invloed hebben op haar dagelijks leven. In het verleden heeft de verdachte aan automutilatie gedaan en suïcidale gedachten gehad. In de Justitiële Jeugd Inrichting lijkt de verdachte een omslag te hebben gemaakt en heeft zij positieve stappen gezet. Zij is gemotiveerd om een GGZ-behandeling te volgen, zij wil naar school en zij wil afstand nemen van mensen met antisociaal gedrag. Om de (GGZ-)behandeling te laten slagen, is het van wezenlijk belang dat de verdachte een vaste woonplek heeft, zodat ze vanuit een plek van (fysieke) stabiliteit en veiligheid kan werken aan haar mentale welzijn. Ter zitting is gebleken dat er inmiddels een plek voor de verdachte is gevonden bij Optica Zorg. Op dit moment heeft de verdachte nog geen zinvolle/positieve dagbesteding. Het is van belang dat er een zinvolle dagbesteding wordt gevonden, zodat de verdachte meer structuur in haar dag heeft. Gelet op de hierboven genoemde zorgen wordt begeleiding noodzakelijk geacht om de juiste hulpverlening in te zetten om zo het recidiverisico te verlagen. Om die reden wordt een deels voorwaardelijke werkstraf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, het verblijven bij en zich houden aan de regels van Optica Zorg, een contactverbod met de medeverdachte, meewerken aan de hulpverlening/begeleiding van E25 en Youz en het vinden en behouden van een positieve dagbesteding.
De deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft ter zitting toegelicht dat aan het vinden van een woonplek voor de verdachte een lange zoektocht voorafgegaan is. Zij is op meerdere plekken weggestuurd, waardoor er weinig opties over waren. Er is inmiddels een plek gevonden bij Optica Zorg. Dit is een plek waar de verdachte stapsgewijs naar zelfstandig wonen zal toewerken. Het is haalbaar en realistisch dat de verdachte over ongeveer twee weken bij Optica Zorg terecht kan. Voor haar behandeling is inmiddels een uitgebreid plan op papier gezet en de verdachte kan op 10 juli 2026 starten met haar traject. Het traject van de verdachte zal starten in Den Haag. Binnen dit traject zal diagnostiek plaatsvinden en zal zij elke dag behandeling krijgen. Op die manier wordt de wachtlijst voor de uiteindelijke behandeling overbrugd, zonder dat er sprake is van stilstand. De verdachte is inmiddels een aantal jaren niet naar school gegaan. Om hier naartoe te kunnen werken is een voortraject nodig. Het is echter van belang dat eerst de benodigde behandeling wordt afgerond. Indien de verdachte zich niet houdt aan de regels bij Optica Zorg, dan is de kans groot dat zij dakloos wordt. Een andere plek vinden lijkt onmogelijk, omdat de verdachte eerder op meerdere plekken is weggestuurd. Het is daarom van groot belang dat de verdachte deze laatste optie met beide handen aangrijpt. Een voorwaardelijke jeugddetentie zou een tijdelijk vangnet kunnen bieden voor als de verdachte onverhoopt toch weer dakloos zou raken, maar is uiteindelijk geen oplossing voor het probleem.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat er ten aanzien van de diefstal met geweld sprake is van medeplegen, het om zeer jonge slachtoffers gaat en dat deze jonge slachtoffers ernstig vernederd zijn en dat hen veel angst aangejaagd is. Ook heeft de verdachte geen volledige openheid van zaken gegeven, ondanks dat zij daartoe meerdere gelegenheden heeft gehad. Ten aanzien van de mishandeling geldt dat de verdachte en medeverdachte het slachtoffer opgezocht hebben en tegen haar geweldshandelingen gepleegd, terwijl het slachtoffer alleen was. De rechtbank houdt bij de strafoplegging ook rekening met het feit dat er voor de mishandeling en diefstal op 20 september 2025 sprake is van eendaadse samenloop.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (79 dagen), waarvan 41 dagen voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 120 uren, passend en geboden is.
De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd, omdat de rechtbank het van belang vindt dat de straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten en dient als waarschuwing voor de verdachte. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de Raad adviseert, waaronder het verblijf bij en het houden aan de regels van Optica Zorg en een contactverbod met de medeverdachte.
De rechtbank zal daarnaast de werkstraf opleggen, omdat het van belang is dat de verdachte de directe gevolgen van haar handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. Aangezien de verdachte op dit moment geen vorm van dagbesteding heeft, ziet de rechtbank geen beletsel in de aanzienlijke duur van de werkstraf. Daarbij komt het uitvoeren van een werkstraf een begin dat de structuur die een werkstraf biedt kan bijdragen aan het vinden en behouden van een dagbesteding.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van [slachtoffer 1]
, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en vordert de verdachte hiertoe hoofdelijk te veroordelen. De vordering ziet op € 250,- aan materiële schade en
€ 4.750,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De vordering van [slachtoffer 2]
, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 5.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en vordert de verdachte hiertoe hoofdelijk te veroordelen. De vordering ziet op (naar de rechtbank begrijpt) € 700,- aan materiële schade en € 4.500,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] wordt verzocht om gebruik te maken van de bevoegdheid om de schade te schatten, nu de vordering niet is onderbouwd met stukken. Daarbij wordt verzocht om de schade die ziet op de pet en de hoodie niet-ontvankelijk te verklaren, nu uit het dossier niet blijkt dat deze zijn weggenomen. Uit het dossier volgt dat er € 5,- is weggenomen van de benadeelde partij. Verzocht wordt de post die ziet op het zakgeld toe te wijzen tot dat bedrag en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de schade van de mobiele telefoon wordt verzocht deze toe te wijzen zoals verzocht. Voor wat betreft de immateriële schade wordt verzocht een bedrag van € 750,- toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] wordt verzocht om eveneens een bedrag van € 750,- toe te wijzen aan immateriële schade en deze post voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Uit het dossier volgt dat de bril van de benadeelde partij is vernield. Gelet daarop wordt verzocht de verzochte schade die ziet op de bril toe te wijzen zoals verzocht. Ook is de telefoon van de benadeelde partij gestolen. Verzocht wordt om hiervoor een bedrag van € 150,- toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de schade die volgens de officier van justitie moet worden toegewezen, concludeert hij tot hoofdelijke toewijzing hiervan. De officier van justitie heeft daarbij betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd voor beide benadeelde partijen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Door de benadeelde partijen is de gevorderde immateriële schade niet onderbouwd met stukken. Gelet daarop heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van beide vorderingen een bedrag van maximaal € 500,- toe te wijzen aan immateriële schade. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade zijn er geen stukken ter onderbouwing ingediend. Gelet daarop wordt verzocht de vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Het zou immers kunnen dat de verzekering al een deel van de schade vergoed heeft.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade benadeelde partij [slachtoffer 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Nu uit het dossier niet volgt dat daarbij de pet en de hoodie van de benadeelde partij zijn weggenomen, zal de rechtbank de vordering voor wat betreft deze posten niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van het zakgeld overweegt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat er € 5,- is weggenomen van de benadeelde partij. Gelet daarop zal de rechtbank de gevorderde schade voor het zakgeld toewijzen tot een bedrag van € 5,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de posten die zien op de mobiele telefoon en de rugzak overweegt de rechtbank dat deze niet zijn onderbouwd met stukken. Nu uit het dossier volgt dat deze spullen zijn weggenomen tijdens de diefstal met geweld, maar de omvang van de geleden schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Ten aanzien van de rugzak stelt de rechtbank de schade vast op € 20,- en ten aanzien van de mobiele telefoon op € 150,-. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Materiële schade benadeelde partij [slachtoffer 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Ten aanzien van de posten die zien op de mobiele telefoon en de bril overweegt de rechtbank dat deze niet zijn onderbouwd met stukken. Nu uit het dossier volgt dat tijdens de diefstal met geweld de telefoon is gestolen en de bril is vernield, maar de omvang van de geleden schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Ten aanzien van de telefoon stelt de rechtbank de schade vast op
€ 150,- en ten aanzien van de bril op € 300,-. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank maakt voor de vaststelling van de omvang van de schade gebruik van haar bevoegdheid om deze naar billijkheid vast te stellen. Uit de vorderingen en de aangiften blijkt dat de diefstal met geweld een grote impact op de benadeelde partijen heeft gehad en nog steeds heeft. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade voor beide benadeelde partijen vaststellen op € 750,-. De rechtbank zal de vorderingen voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vorderingen kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Totaal toegewezen [slachtoffer 1]
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [slachtoffer 1] toewijzen tot een bedrag van € 925,-, bestaande uit € 175,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Totaal toegewezen [slachtoffer 2]
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [slachtoffer 2] toewijzen tot een bedrag van € 1.200,-, bestaande uit € 450,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 925,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] en de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag € 1.200,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
feit 1:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
de eendaadse samenloop van
feit 2:
het medeplegen van mishandeling;
feit 3:
diefstal;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (79 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
41 (EENENVEERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en haar medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen en/of zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en zich zal houden aan het daar geldende rooster, alles in overleg met de jeugdreclassering;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de hulpverlening en/of behandeling van E25 en Youz of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de afspraken die daarbij met haar worden gemaakt;
4. gedurende de proeftijd zal verblijven bij Optica Zorg, of een andere soortgelijke instantie, en dat zij zich zal houden aan de daar geldende regels en afspraken;
5. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect en ook niet via sociale media - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2008.
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
60 (ZESTIG) DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag van € 925,- , bestaande uit € 175,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met haar mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 925,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , waaronder begrepen betaling door haar mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag van € 1.200,-, bestaande uit € 450,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met haar mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 1.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , waaronder begrepen betaling door haar mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,
mr. M. de Kleine, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat
1
zij op of omstreeks 14 september 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
één of meer telefoons en/of geld (5 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan
aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld
tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermaals) (in het gezicht) te slaan en/of
schoppen en/of
- ( meermaals) parfum te spuiten in de ogen van die [slachtoffer 1] en/of
[slachtoffer 2] ;
2
zij op of omstreeks 20 september 2025 te Leidschendam, gemeente
Leidschendam-Voorburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (meermaals) te duwen, slaan, een
knietje in het gezicht te geven en/of aan (de haren van) die [slachtoffer 3] te trekken;
3
zij op of omstreeks 20 september 2025 te Leidschendam, gemeente
Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, een telefoon (Samsung Galaxy J9), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen;