ECLI:NL:RBDHA:2026:18909

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
09-316903-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor medeplegen diefstal met geweld in ’s-Gravenhage

Op 3 oktober 2024 pleegde de verdachte samen met anderen een diefstal met geweld in ’s-Gravenhage waarbij een autosleutel, horloge, geld, telefoon en rijbewijs van het slachtoffer werden weggenomen. De verdachte leidde het slachtoffer naar een afgelegen locatie, filmde de geweldshandelingen en nam het rijbewijs mee.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen vanwege de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten, ondanks dat de verdachte zelf geen geweld gebruikte. De verdachte was op de hoogte van het plan en speelde een substantiële rol in voorbereiding, uitvoering en afhandeling van het delict.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het georganiseerde karakter en de kwetsbaarheid van de verdachte, die op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert en onder begeleiding staat. De redelijke termijn was met vier maanden overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen.

De verdachte werd veroordeeld tot 101 dagen jeugddetentie (waarvan 60 voorwaardelijk) met aftrek van 41 dagen voorarrest en een taakstraf van 60 uur. Daarnaast werd een schadevergoeding van €4.263,38 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en proceskostenveroordeling. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met mededaders.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 101 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, en 60 uur taakstraf voor medeplegen diefstal met geweld, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-316903-24
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Iran),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 25 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. B.A.C. Looijestijn en de raadsvrouw van de verdachte is mr. S. Fattah te Rijswijk (Zuid-Holland). De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat zij:
primair: op 3 oktober 2024 in ’s-Gravenhage samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld van een autosleutel, horloge, geld (€ 100,-), een telefoon en een rijbewijs van [slachtoffer] , subsidiair: het medeplichtig zijn aan een diefstal met geweld.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna - voor zover relevant - nader
worden ingegaan.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverwegingen
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de verdachte in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] met de aangever heeft afgesproken en hem naar een afgelegen parkeerplaats heeft geleid. Voorafgaand aan de afspraak met de aangever heeft de medeverdachte een link van de juiste locatie verstuurd naar de verdachte. Deze locatie betreft het parkeerterrein aan de Madesteinweg in ’s-Gravenhage. Eenmaal op de locatie aangekomen, heeft de verdachte nog enige tijd met de aangever in de auto doorgebracht waarna zij op instructie van de medeverdachte uit de auto is gestapt. Op dat moment kwamen de twee medeverdachten in de richting van de auto gelopen en zij hebben de aangever in de auto geduwd en hem meerdere keren geslagen. De medeverdachten hebben de autosleutel, het horloge,
€ 100,- aan contant geld en de telefoon van de aangever meegenomen uit de auto. Op het moment dat de medeverdachten geweld begonnen te gebruiken, is de verdachte weggerend. Daarbij heeft zij het rijbewijs van de aangever dat op de grond lag meegenomen. In opdracht van de medeverdachte heeft de verdachte tijdens het wegrennen de geweldshandelingen gefilmd.
Ter zitting heeft de verdachte bekend dat zij in opdracht van de medeverdachte de aangever naar de afgesproken locatie heeft geleid en de geweldshandelingen (van een afstand) heeft gefilmd. Ook heeft zij bekend dat zij het rijbewijs van de aangever heeft meegenomen.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat zij, direct voorafgaand aan de afspraak met de aangever, een groep heeft aangemaakt op Snapchat, daar twee medeverdachten aan heeft toegevoegd en voorafgaand aan en na de diefstal met geweld via deze groep met hen contact heeft gehad. Toen de verdachte was opgehaald door de aangever, heeft zij een bericht verstuurd dat zij bij hem in de auto zat. Nadat zij de aangever naar de door de medeverdachte doorgestuurde afgelegen locatie had geleid, heeft zij de opdracht gekregen om daar nog enige tijd in de auto door te brengen met de aangever, omdat het nog ‘een beetje vroeg is’. Zij heeft dit vervolgens gedaan en heeft de medeverdachte(n) ervan verzekerd dat zij daar alleen was met de aangever. Ongeveer een kwartier later gaf medeverdachte [medeverdachte 1] aan dat hij er bijna was. Enkele minuten later stuurde hij een bericht dat de verdachte ‘nu moet uitstappen’. Op dat moment kwamen de twee medeverdachten aanlopen en werd de aangever met geweld van zijn spullen beroofd.
Niet veel later stuurde de verdachte in de Snapchatgroep twee filmpjes die zij had gemaakt van de auto van de aangever en de worsteling die hierin plaatsvond. Ongeveer een uur nadat de diefstal met geweld had plaatsgevonden, verstuurde de verdachte een foto van het rijbewijs van de aangever. Hierop reageerde medeverdachte [medeverdachte 2] dat de verdachte ‘een strijder is’. De verdachte reageerde daarop door verschillende lachende smileys te sturen. Ook heeft de verdachte rond de tijd van de diefstal met geweld, via Snapchat contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 3] . Hij stuurde haar een bericht dat ze handschoenen mee moest nemen, omdat anders haar handafdruk in de auto zou zitten. In dit gesprek stuurde de verdachte ook het telefoonnummer van de aangever aan deze [medeverdachte 3] .
Gelet op de wijze waarop de verdachte rond de diefstal met geweld met de medeverdachten en [medeverdachte 3] heeft gecommuniceerd en gelet op de inhoud van deze berichten, acht de rechtbank het onaannemelijk dat de verdachte niet op de hoogte was van hetgeen er ging gebeuren. Temeer nu uit het dossier valt af te leiden dat medeverdachte [medeverdachte 2] aangifte heeft gedaan tegen de aangever, omdat hij haar eerder onzedelijk zou hebben betast. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte op zijn minst in grote lijnen op de hoogte moet zijn geweest van het vooropgezette plan.
Uit het voorgaande kan verder geconcludeerd worden dat de verdachte een duidelijke en belangrijke rol heeft gehad in het geheel, waarbij zij ervoor heeft gezorgd dat de diefstal met geweld op de juiste plek en het juiste tijdstip kon plaatsvinden. Hoewel de verdachte zelf geen geweldshandelingen heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat zij intensief heeft samengewerkt met de medeverdachten en dat haar bijdrage zowel voorafgaand, als tijdens en ook na de diefstal met geweld, van voldoende gewicht is geweest om het oordeel te kunnen dragen dat zij een substantiële bijdrage aan het geheel heeft geleverd en dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten. De handelingen van de verdachte en de medeverdachten zijn op elkaar afgestemd en volgen elkaar in tijd naadloos op, en deze bestaan in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Voor het bewijs van medeplegen maakt het in beginsel niet uit wie de geweldshandelingen heeft verricht en of de verdachte zelf daadwerkelijk het geweld heeft gebruikt waarvan zij verdacht wordt. Ook geweld gepleegd door de medeverdachten komt in dat geval voor rekening van de verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat alle handelingen zoals deze ten laste zijn gelegd wettig en overtuigend zijn bewezen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 3 oktober 2024 te 's-Gravenhage, op de openbare weg, het parkeerterrein aan de Madesteinweg, tezamen en in vereniging met anderen, een autosleutel, horloge, geld
(€ 100,-), telefoon (Iphone 15) en rijbewijs, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken, door die [slachtoffer] :
- meermalen tegen het gezicht, het hoofd en het lichaam te slaan en te stompen en
- te duwen in de auto van die [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om als bijzondere voorwaarden op te leggen: begeleiding door de jeugdreclassering, het volgen van ambulante behandeling, het hebben van een dagbesteding en ambulante begeleiding door het Jeugd Interventie Team (JIT), een coach van E25 of een soortgelijke zorgverlener. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging verzocht om onderscheid te maken tussen de rol van de verdachte en die van de feitelijke uitvoerders, en daarbij in aanmerking te nemen dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt. Ook wordt verzocht rekening te houden met de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van de verdachte, temeer nu de reclassering onder andere om die reden heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Het feit dateert van geruime tijd geleden en de verdachte heeft sindsdien positieve stappen gezet om haar leven op orde te krijgen. Zij is niet meer in aanraking gekomen met politie of justitie, heeft een dagbesteding en werkt mee aan de begeleiding en behandeling. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. Gelet daarop wordt verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een taakstraf van een beperkte duur op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij het slachtoffer in zijn eigen auto is beroofd van zijn spullen. De verdachte heeft een belangrijke rol gespeeld in zowel de voorbereiding als de uitvoering van deze diefstal door het slachtoffer naar de juiste plek te leiden, tijd te rekken terwijl zij in de auto zat met het slachtoffer, zijn rijbewijs mee te nemen en het op het slachtoffer uitgeoefende geweld te filmen. Dergelijke feiten brengen een slachtoffer niet alleen materiële schade toe, zij maken ook een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het moet voor het slachtoffer bijzonder beangstigend zijn geweest dat hij in goed vertrouwen met de verdachte had afgesproken en vervolgens op een afgelegen plek en in zijn eigen auto door twee mannen met geweld is bestolen van zijn spullen. Het georganiseerde karakter en de omstandigheden waaronder de diefstal met geweld heeft plaatsgevonden, lijken te wijzen op een wraakactie richting het slachtoffer. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij zich heeft laten leiden door de medeverdachten en geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van haar handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat aan de verdachte in 2023 een geldboete is opgelegd wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 23 juni 2026 van Reclassering Nederland. Daaruit volgt - kort samengevat - dat het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De risicofactoren liggen voornamelijk in de schuldenproblematiek en het psychosociaal functioneren van de verdachte. Zij staat hiervoor onder behandeling bij De Waag en het JIT ondersteunt de verdachte bij haar schuldenproblematiek. Er zijn indicaties dat de verdachte sterk beïnvloedbaar is en vermoedelijk op (licht) verstandelijk beperkt niveau functioneert. Daarbij komt dat de verdachte nog thuiswonend is en geen startkwalificatie heeft behaald. Gelet daarop wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Sinds 13 november 2024 is de voorlopige hechtenis van de verdachte onder voorwaarden geschorst. Hoewel de begeleiding in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis enige obstakels heeft gekend, is er op dit moment sprake van een positieve ontwikkeling waarbij er steeds meer sprake is van stabiliteit in het leven van de verdachte. Zij heeft op dit moment een baan via een uitzendbureau en wil in het najaar van 2026 weer naar school gaan. Hoewel de verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, waarbij zij aan zichzelf heeft gewerkt, lijkt het behandeltraject bij De Waag nog niet goed van de grond te zijn gekomen. Gelet daarop en gezien de kwetsbaarheid van de verdachte, wordt langdurige ondersteuning nodig geacht om het recidiverisico omlaag te krijgen en te houden. Om die reden wordt voortzetting van de begeleiding van de reclassering geadviseerd.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren, heeft bereikt - op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven.
De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Uit het reclasseringsrapport en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat de verdachte kwetsbaar en sterk beïnvloedbaar is en vermoedelijk op (licht) verstandelijk beperkt niveau functioneert. Er wordt dan ook langdurig begeleiding nodig geacht om het recidiverisico te beperken.
De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen en het jeugdstrafrecht toepassen, omdat zij ziet dat de verdachte is gebaat bij een pedagogische benadering. Zo kan zij profiteren van de hulpverlening en begeleiding die zij nodig heeft om de positieve ontwikkeling te kunnen doorzetten.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met vier maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor een diefstal met geweld een werkstraf van 60 uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie vermeld. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat er sprake lijkt te zijn geweest van een wraakactie, waarbij de verdachte en haar medeverdachten aan de hand van een georganiseerd plan te werk zijn gegaan. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer naar een afgelegen plek geleid, waarna de medeverdachten vrij spel hadden om de diefstal met geweld in de auto van het slachtoffer uit te voeren. De verdachte heeft vervolgens de geweldshandelingen (op afstand) gefilmd. Ook neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, ondanks dat zij daar meerdere keren de gelegenheid toe heeft gehad. In positieve zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis voorzichtig stappen in de goede richting heeft gezet.
Gezien de aard, de ernst en het karakter van het feit kan volgens de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 101 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (41 dagen), waarvan 60 voorwaardelijk en een werkstraf van 60 uren, de juiste pedagogische interventie is. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank ziet dat de verdachte (langdurig) begeleiding nodig heeft en daar ook baat bij heeft. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat dit traject voortgezet moet worden, zodat de verdachte zich zo gunstig mogelijk verder kan ontwikkelen en het recidiverisico zo veel mogelijk wordt ingeperkt.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. D. Marcus, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 28.395,44, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op
€ 18.395,44 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 28.395,44 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .
7.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de verzochte vrijspraak, heeft de verdediging primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd en derhalve verzocht de vordering af te wijzen dan wel aanzienlijk te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Medische kosten
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde medische kosten, bestaande uit het eigen risico en de kosten voor de fysiotherapeut de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien dit deel van de vordering namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd is. Niet is vast te stellen of deze gevorderde kosten voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking kwamen en of en in hoeverre deze kosten onder het eigen risico van de benadeelde partij vallen.
Kosten telefoon(s)
Ten aanzien van de kosten voor de telefoonabonnementen overweegt de rechtbank als volgt. Bij de diefstal met geweld is onder andere de telefoon van het slachtoffer meegenomen. De benadeelde partij heeft de telefoon aangeschaft op 19 april 2024 en daaraan is een tweejarig abonnement gekoppeld dat op 19 april 2026 is afgelopen. De benadeelde partij moest tot die datum de maandelijkse abonnementskosten van de gestolen telefoon betalen. Vanwege de diefstal van zijn telefoon, heeft de benadeelde partij vanaf de datum van de diefstal met geweld geen gebruik meer kunnen maken van zijn telefoon en het daaraan gekoppelde abonnement. De benadeelde partij had de telefoon ongeveer een half jaar voorafgaand aan de diefstal met geweld aangeschaft en tot die tijd in gebruik gehad. Gelet op het feit dat de telefoon niet nieuw meer was, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 6:97 BW Pro. Zij schat de dagwaarde van de iPhone 15 plus op € 700,-. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de abonnementskosten van € 1.466,87 en de geschatte kosten van de aanschaf van de telefoon van € 700,- toewijzen (totaal: € 2.166,87). De kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon en de daarbij behorende abonnementskosten zal de rechtbank afwijzen, nu deze kosten slechts indirect zien op herstel van de schade die is ontstaan door het bewezenverklaarde feit.
Reiskosten, cashgeld, horloge en autosleutel
Na de diefstal met geweld is de auto van de benadeelde partij door de politie in beslag genomen voor onderzoek. De benadeelde partij heeft daardoor verschillende keren gebruik moeten maken van het openbaar vervoer om naar afspraken bij de politie, zijn raadsvrouw, de huisarts en de praktijkondersteuner GGZ te kunnen gaan. Deze reiskosten heeft de benadeelde partij moeten maken als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de reiskosten daarom toewijzen zoals verzocht. Ook de kosten voor het aanschaffen van een nieuwe autosleutel, het bedrag van € 100,- aan contant geld en de kosten van het horloge zal de rechtbank toewijzen zoals verzocht. De autosleutel, het geld en het horloge zijn immers weggenomen bij het bewezenverklaarde feit en deze kosten zijn door de verdediging niet gemotiveerd betwist.
Schade auto
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de schadepost aan de auto, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien dit deel van de vordering namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd is.
Verlies verdienvermogen
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post verlies verdienvermogen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Door de geweldshandelingen heeft de benadeelde partij pijn en letsel opgelopen, waaronder rugklachten. Zijn rugklachten zijn verergerd sinds hij weer aan het werk is gegaan. De benadeelde partij krijgt hiervoor behandeling bij een fysiotherapeut. Uit de toelichting op de vordering volgt dat het incident een grote impact op de benadeelde partij heeft gehad en nog steeds heeft. De rechtbank maakt voor de vaststelling van de omvang van de immateriële schade gebruik van haar bevoegdheid om deze naar billijkheid vast te stellen. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 1.500,-. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 4.263,38, bestaande uit € 2.763,38 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft verzocht de proceskosten vast te stellen door aan te sluiten bij het liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van de rechtsbijstand begroten aan de hand van het liquidatietarief voor rechtbanken. De gevorderde proceskosten zullen worden begroot aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief van € 836,- x 2 punten: een punt voor het opstellen en indienen van de vordering en een punt voor het toelichten van de vordering ter zitting, zijnde een bedrag van € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid (twee of meer mededaders)
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 4.823,43, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
diefstal, voorafgegaan door en vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
101 (HONDERDENEEN) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (41 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
60 (ZESTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en haar medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering, zo lang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt en haar medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
3. zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding (scholing, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur), alles in overleg met de jeugdreclassering;
4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach van E25, het Jeugd Interventie Team (JIT) of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de afspraken die daarbij met haar worden gemaakt, zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (DERTIG) DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 4.263,38, bestaande uit € 2.763,38 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
wijst af de vordering van de benadeelde partij voor zover die betrekking heeft op de gevorderde kosten van de nieuwe telefoon en de maandelijkse kosten van het nieuwe telefoonabonnement (€ 2.012,01);
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met haar mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 4.263,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. de Kleine, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat
zij op of omstreeks 3 oktober 2024 te 's-Gravenhage, op de openbare weg, het parkeerterrein aan de Madesteinweg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een autosleutel, horloge, geld (€100,-), telefoon (Iphone 15) en rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] :
- meermalen in/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te
stompen en/of
- te duwen in en/of tegen de auto van die [slachtoffer] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekende daders op of omstreeks 3 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een autosleutel, horloge, geld (€100,-), telefoon (Iphone 15) en rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door die [slachtoffer] :
- meermalen in/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- te duwen in en/of tegen de auto van die [slachtoffer] , bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 26 september 2024 tot en met 3 oktober 2024 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
- via Instagram en/of Snapchat contact te leggen met die [slachtoffer]
- vervolgens als ‘ [valse naam] ’ een afspraak te maken met die [slachtoffer] om elkaar te ontmoeten en
- aan die [slachtoffer] voor te stellen om naar het parkeerterrein op de Madesteinweg te gaan, waar haar mededader(s) hen opwachtten en - gedurende haar afspraak met die [slachtoffer] via Snapchat contact te onderhouden met haar mededader(s) en inlichtingen te verschaffen over hun actuele locatie en/of over de aanwezigheid van anderen en
- uitvoering te geven aan de opdracht van haar mededader(s) om uit te stappen en/of
- een video te maken van de beroving en een foto te maken van het rijbewijs van die [slachtoffer] en/of
- voornoemde video en/of foto via Snapchat naar haar mededader(s) te versturen.