ECLI:NL:RBDHA:2026:18923
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Dit bezwaar richt zich tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht, die opvang en begeleiding bood aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht.
De minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij geen gebruik meer maakt van de LVV-opvang, maar opvang ontvangt via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) in verband met een lopende asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt terecht is, omdat het doel van het bezwaar niet meer kan worden bereikt en de LVV-opvang voor eiser geen feitelijke betekenis meer heeft.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn van twee jaar nog niet was overschreden en er geen onderbouwing van schade was geleverd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026 door rechter R.J.A. Schaaf.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.