ECLI:NL:RBDHA:2026:1893
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
De minister van Asiel en Migratie legde op 12 augustus 2025 een terugkeerbesluit op aan eiser, een derdelander uit Oekraïne die tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Dit besluit volgde op het beëindigen van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, waarna eiser geen rechtmatig verblijf meer had. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank behandelde het beroep op 30 januari 2026 en wees het ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de bevriezingsmaatregel die eiser aanvoerde niet inhoudt dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar slechts dat de gevolgen van het stoppen ervan zijn bevroren. Daarnaast is bij het beëindigen van de tijdelijke bescherming geen individuele belangenafweging vereist, waardoor het betoog van eiser over onvoldoende rekening houden met persoonlijke omstandigheden faalt.
Eiser voerde verder aan dat terugkeer naar Nigeria een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren, maar zijn asielaanvragen waren afgewezen en ingetrokken, en de rechtbank zag geen reden om deze vrees te honoreren. Ook het bezwaar tegen de SIS-signalering faalde, omdat deze dwingend is voorgeschreven en verdwijnt na het voldoen aan de terugkeerplicht.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees proceskostenvergoedingen af. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.