ECLI:NL:RBDHA:2026:1893

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.38582
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArtikel 3 EVRMArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

De minister van Asiel en Migratie legde op 12 augustus 2025 een terugkeerbesluit op aan eiser, een derdelander uit Oekraïne die tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Dit besluit volgde op het beëindigen van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, waarna eiser geen rechtmatig verblijf meer had. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank behandelde het beroep op 30 januari 2026 en wees het ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de bevriezingsmaatregel die eiser aanvoerde niet inhoudt dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar slechts dat de gevolgen van het stoppen ervan zijn bevroren. Daarnaast is bij het beëindigen van de tijdelijke bescherming geen individuele belangenafweging vereist, waardoor het betoog van eiser over onvoldoende rekening houden met persoonlijke omstandigheden faalt.

Eiser voerde verder aan dat terugkeer naar Nigeria een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren, maar zijn asielaanvragen waren afgewezen en ingetrokken, en de rechtbank zag geen reden om deze vrees te honoreren. Ook het bezwaar tegen de SIS-signalering faalde, omdat deze dwingend is voorgeschreven en verdwijnt na het voldoen aan de terugkeerplicht.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees proceskostenvergoedingen af. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38582
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. De minister heeft eiser met het besluit van 12 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is een zogeheten derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. [1] De minister heeft een terugkeerbesluit opgelegd omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en eiser nadien geen rechtmatig verblijf meer heeft. De gronden die eiser hiertegen aanvoert slagen niet.
3.1.
Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit prematuur is omdat hij op grond van de bevriezingsmaatregel nog rechtmatig verblijf heeft. Dit volgt de rechtbank niet. Zoals in de uitspraak van 5 september 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats [2] is geoordeeld, houdt de bevriezing slechts in dat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren, niet dat de tijdelijke bescherming is verlengd en dat eiser illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
3.2.
Het betoog van eiser dat de minister bij het beëindigen van de tijdelijke bescherming onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en evenredigheid slaagt evenmin. Zoals ook volgt uit de genoemde uitspraak van 5 september 2025 is bij die beëindiging geen plaats voor een individuele belangenafweging. [3]
3.3.
Bij het opleggen van het terugkeerbesluit moet wel naar behoren rekening worden gehouden met onder meer het privéleven van eiser. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij altijd heeft gewerkt in Nederland en een vrienden-, kennissen en collega kring heeft opgebouwd. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege beëindigen van tijdelijke bescherming, vormen deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat van een terugkeerbesluit had moeten worden afgezien. [4] Eiser kon immers weten dat zijn verblijfsrecht tijdelijk zou zijn, tenzij hij een andere verblijfsvergunning zou krijgen.
3.4.
Eiser heeft verder naar voren gebracht dat hij vreest voor schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Nigeria. Ten tijde van het nemen van het terugkeerbesluit was eisers asielaanvraag echter afgewezen en het daartegen ingestelde beroep was ongegrond verklaard. Nadien heeft eiser nogmaals een aanvraag ingediend en deze ingetrokken, en onlangs wederom een aanvraag ingediend. Op de zitting heeft de minister verklaard dat deze aanvraag is afgewezen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gestelde vrees in de weg staat aan het opgelegde terugkeerbesluit.
3.5.
Ten slotte heeft eiser betoogd dat de opgelegde SIS-signalering hem in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 5 september 2025 stelt de rechtbank vast dat de SIS-signalering dwingend is voorgeschreven en dat hij verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht. Ook deze grond faalt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
4.1.
Partijen kunnen binnen vier weken tegen deze uitspraak in hoger beroep. Dat kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026 door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 5 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, rechtsoverweging 5.3. Zie ook ABRvS (vz.rechter) 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5214.
3.ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, rechtsoverweging 5.2.
4.Idem, rechtsoverweging 6.1.