ECLI:NL:RBDHA:2026:1894
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening asielverzoek Gambia
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 8 mei 2025 werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in, maar deed dit te laat, namelijk op 3 juni 2025, terwijl de beroepstermijn uiterlijk op 15 mei 2025 eindigde.
De rechtbank behandelde het beroep op 30 januari 2026 en oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar is. De kennisgeving van het besluit was aan de toenmalige advocaat van eiser gedaan, waardoor de verantwoordelijkheid voor tijdige indiening bij eiser ligt.
De rechtbank overwoog tevens dat de aangevoerde gronden van eiser niet onmiskenbaar leiden tot de conclusie dat uitzetting naar Gambia een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. Daarom is geen reden om af te wijken van niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank wees het beroep af zonder toekenning van proceskostenvergoeding. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.