ECLI:NL:RBDHA:2026:1897

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2698
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 28 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in uitspraken van 18 november en 23 december 2025.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds het sluiten van het laatste onderzoek op 19 december 2025 rechtmatig is gebleven. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is vanwege het ontbreken van een laissez-passer en dat de minister onvoldoende voortvarend is in de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat de minister met het vertrekgesprek van 19 december 2025 heeft voldaan aan zijn verplichting tot uitzettingshandelingen en dat een nieuwe presentatie gepland staat.

Eiser stelde ook dat de minister een lichter middel had moeten toepassen vanwege zijn psychosomatische klachten en dat de belangenafweging ondeugdelijk was. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en concludeert dat geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel. De belangen van de minister wegen in de eerste zes maanden zwaarder, tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld, wat hier niet het geval is.

De rechtbank ziet ook bij ambtshalve toetsing geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2698

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 28 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 18 november 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 23 december 2025. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 19 december 2025) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat op 24 oktober 2025 een laissez-passer (lp) aanvraag is ingediend bij de Ethiopische autoriteiten en er tot op heden geen lp is verkregen. Eiser heeft niet meegewerkt aan zijn presentatie bij de Ethiopische autoriteiten, maar dit kan hem niet worden tegengeworpen vanwege het risico op refoulement bij terugkeer.
3.1.
Voor de beroepsgrond over het zicht op uitzetting verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraken van 23 december 2025, overweging 4.1 en 18 november 2025, overweging 8.1. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Het laatste vertrekgesprek dateert van 19 december 2025. Sindsdien zijn er geen concrete en effectieve uitzettingshandelingen verricht.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat met het voeren van een vertrekgesprek op 19 december 2025 de minister in principe heeft voldaan aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat er op 29 januari 2026 een nieuwe presentatie gepland staat. Van eiser mag worden verwacht dat hij meewerkt aan handelingen die nodig zijn voor zijn terugkeer, waaronder een persoonlijke presentatie in het kader van het verkrijgen van zijn lp. Indien eiser ervoor kiest om niet mee te werken aan zijn terugkeer, komt dat voor zijn eigen rekening en risico.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij een jong meerderjarige is en aanzienlijke psychosomatische klachten als stress, slapeloosheid en depressie heeft.
5.1.
Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraken van 23 december 2025, overweging 5.1 en 18 november 2025, overweging 7.1. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft de minister een ondeugdelijke belangenafweging gemaakt?
6. Eiser voert vervolgens aan dat de minister geen kenbare en inhoudelijke belangenafweging heeft gemaakt. De minister heeft enkel volstaan met standaard overwegingen. Dit strookt niet met de inhoudelijke beoordeling van alle individuele aspecten en omstandigheden bij het opleggen van een maatregel van bewaring.
6.1.
De rechtbank overweegt dat in beginsel gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet langer is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21740.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25105.
3.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.