Eisers, een gezin van Turkse nationaliteit, werden op 26 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast, terwijl de Duitse autoriteiten alleen gecontroleerde overdrachten accepteren en het aan de minister was om deze overdracht te organiseren.
De rechtbank oordeelde dat eisers niet hadden geweigerd mee te werken aan de overdracht naar Duitsland en dat de minister onvoldoende had onderbouwd waarom bewaring noodzakelijk was. Bovendien verbleven eisers in crisisopvang en was er voldoende tijd geweest om een gecontroleerde overdracht te regelen zonder bewaring.
De bewaring werd daarom onrechtmatig geacht vanaf het moment van opleggen. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €700 per gezinslid voor zeven dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, totaal €2.100, en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868.