ECLI:NL:RBDHA:2026:1899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.58208 NL25.58209 NL25.58210
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring van gezin wegens onvoldoende motivering lichter middel

Eisers, een gezin van Turkse nationaliteit, werden op 26 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast, terwijl de Duitse autoriteiten alleen gecontroleerde overdrachten accepteren en het aan de minister was om deze overdracht te organiseren.

De rechtbank oordeelde dat eisers niet hadden geweigerd mee te werken aan de overdracht naar Duitsland en dat de minister onvoldoende had onderbouwd waarom bewaring noodzakelijk was. Bovendien verbleven eisers in crisisopvang en was er voldoende tijd geweest om een gecontroleerde overdracht te regelen zonder bewaring.

De bewaring werd daarom onrechtmatig geacht vanaf het moment van opleggen. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €700 per gezinslid voor zeven dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, totaal €2.100, en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring van het gezin.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58208, NL25.58209 en NL25.58210

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] ,
hierna gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluiten van 26 november 2025 (het bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregelen van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 2 december 2025 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 2000, [geboortedatum 2] 2022 en [geboortedatum 3] 2024.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Lichter middel
4. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel. De Duitse autoriteiten accepteren enkel gecontroleerde overdrachten en daarom was het aan de minister om een gecontroleerde overdracht te organiseren. Omdat de minister stil heeft gezeten is deze maatregel van bewaring noodzakelijk geworden zodat de uiterste overdrachtstermijn gehaald kan worden.
5. De minister voert aan dat in de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd waarom er geen toepassing is gegeven aan een lichter middel. De moeder van het gezin heeft in meerdere vertrekgesprekken te kennen gegeven dat zij absoluut niet terug wil keren naar Duitsland. Daarnaast hebben eisers aangegeven liever terug te keren naar Turkije en daarom heeft de minister eisers de tijd gegeven om hun terugkeer naar Turkije via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te regelen. Toen dit niet lukte heeft de minister ervoor gekozen om de maatregel van bewaring op te leggen om te verzekeren dat eisers werden overgedragen voor de uiterste overdrachtstermijn verliep.
6. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Niet in geschil is dat het aan de minister is om een gecontroleerde overdracht naar Duitsland te plannen, omdat de Duitse autoriteiten enkel gecontroleerde overdrachten accepteren. Het is dus aan de minister om de overdracht voor te bereiden. Eisers hebben daarentegen een meewerkplicht en het is aan eisers om hun medewerking te verlenen aan een geplande overdracht. Anders dan de minister stelt, blijkt uit de vertrekgesprekken van eiseres enkel dat zij heeft verklaard niet naar Duitsland te willen, maar niet dat eiseres te kennen heeft gegeven niet mee wil werken aan de overdracht naar Duitsland. Op deze verklaringen is tijdens het gehoor niet doorgevraagd, hetgeen in dit geval wel op de weg van de minister had gelegen. Deze verklaringen zijn daarom onvoldoende om te concluderen dat eisers geen medewerking zouden verlenen aan de overdracht naar Duitsland. Eisers verbleven daarnaast sinds 24 oktober 2025 in een crisisopvang wegens huiselijk geweld en zij waren dus beschikbaar voor de autoriteiten. De rechtbank overweegt verder dat de minister sinds het claimakkoord van 2 juni 2025 voldoende tijd en mogelijkheden had om een gecontroleerde overdracht naar Duitsland te organiseren, zodat eisers niet in bewaring hoefden te worden gesteld om de uiterste overdrachtstermijn veilig te stellen. Dat de minister eisers een periode de tijd heeft gegeven om via IOM terug naar Turkije te keren maakt dit niet anders, omdat uit de vertrekgesprekken van 11 september 2025 en 8 oktober 2025 blijkt dat de minister aan eiseres heeft gemeld dat als eisers in oktober niet naar Turkije zouden vertrekken, zij in november aan Duitsland overgedragen zouden worden. Dat de minister de bewaring noodzakelijk acht om de uiterste overdrachtstermijn te waarborgen, is onvoldoende motivering voor waarom er geen toepassing is gegeven aan een lichter middel. De minister heeft namelijk zelf gewacht tot 2 december 2025 om de overdracht te plannen, terwijl niet is gebleken waarom dit niet eerder – zonder voorafgaande inbewaringstelling – kon. Ten slotte vindt de rechtbank van belang dat, zoals ook uit paragraaf A5/2.4 van de Vreemdelingencirculaire volgt, een versterkte mate van terughoudendheid is vereist bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarigen, hetgeen, gelet op wat hiervoor is overwogen, reden te minder was om dit zwaarste middel in dit geval toe te passen. De beroepsgrond slaagt.
7. De beroepen zijn gegrond en de maatregelen van bewaring waren vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
8. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 7 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 700,- per gezinslid. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 2.100,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 2.100,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.