ECLI:NL:RBDHA:2026:19047

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36066
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a VwArt. 6 VwArt. 14 VwArt. 94, tweede lid, VwArt. 106, eerste lid, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een toegangsweigering tot Nederland en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank oordeelt dat de toegangsweigering rechtsgeldig is ondertekend met een digitale handtekening en dat eiser deze heeft ontvangen. Daarnaast is vastgesteld dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Polen, waarbij de termijn van vijf weken voor overdracht nog niet is overschreden.

De rechtbank concludeert dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is en dat er geen aanleiding is voor het toekennen van een schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36066
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 29 juni 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van de artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode2 de toegang tot Nederland geweigerd. Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep, en wordt geacht mede een beroep tegen de toegangsweigering te omvatten.3 Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1. Het beroep tegen een vrijheidsontnemende wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Verordening (EU) 2016/399.
3 Dit volgt uit artikel 94, tweede lid, van de Vw.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Belkassem als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. Eiser heeft een onbekende nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2000.
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
4. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de definitieve toegangsweigering (formulier M17A) niet aan eiser is uitgereikt. Bovendien is de toegangsweigering niet voorzien van een zogeheten ‘natte’ handtekening. De digitale handtekening onder de toegangsweigering voldoet niet, aldus eiser.
4.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Onder verwijzing naar de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juli 20184 biedt artikel 2:18 van Pro de Awb (voorheen artikel 2:16 van Pro de Awb) een voldoende wettelijke grondslag om besluiten door middel van een digitale handtekening te ondertekenen. Overigens heeft de rechtbank de digitale handtekening gevalideerd met een pdf-viewer.
4.2.
Verder staat op pagina 5 van de vrijheidsontnemende maatregel het volgende:
“De Koninklijke Marechaussee heeft op 29 juni 2026 een definitieve toegangsweigering tot Nederland aan u opgelegd, dat staat in dit Model M17A. Hierbij reik ik het Model M17A aan u uit. Begrijpt u de inhoud van het besluit?
Dat is het document dat over Polen?
Opmerking rapporteur: ik leg de inhoud van de toegangsweigering nogmaals uit. Oke, begrepen.”
4.3.
De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van de bevoegde ambtenaar te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een rechtsgeldige ondertekening van de toegangsweigering en heeft eiser de ondertekende toegangsweigering ook gekregen. De beroepsgrond slaagt niet.
Over bestreden besluit 2 (de vrijheidsontnemende maatregel van 29 juni 2026)
5. Eiser voert verder aan dat de bewaring zo kort als mogelijk dient te duren en dat de overdracht van eiser naar Polen zo spoedig uitgevoerd als praktisch mogelijk is binnen vijf weken hoort plaats te vinden. Op 10 juni 2026 is een claimverzoek ingediend bij de autoriteiten van Polen. Dit verzoek is op 11 juni 2026 door Polen aanvaard. Daarin valt te lezen dat Polen een aankondigingstermijn van 7 dagen hanteert tussen de aankondiging van de vlucht en de daadwerkelijke vlucht voor de overdracht. Er is op dit moment nog geen vluchtdatum bekend. Het is volgens eiser niet te verwachten dat de overdracht binnen de termijn van vijf weken zal plaatsvinden, waardoor de bewaring van eiser niet zo kort als
mogelijk duurt. Eiser verwijst hierbij naar artikel 44, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening5 (AMbV) en naar artikel 45, derde lid onder a, van de AMbV.
5.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 44, derde lid, van de AMbV de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd. Op grond van artikel 45, derde lid, van de AMbV wordt de overdracht van een persoon die in bewaring wordt gehouden van de overdragende lidstaat naar de verantwoordelijke lidstaat zo spoedig uitgevoerd als praktisch mogelijk is, en binnen vijf weken vanaf a) de datum waarop het verzoek tot overname is aanvaard of de kennisgeving inzake terugname is bevestigd, of b) de datum waarop het beroep of bezwaar niet langer opschortende werking heeft.
5.2.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 45, derde lid, onder a, van de AMbV. Uit de beschikking van
19 juni 2026 volgt dat de asielaanvraag van eiser niet in behandeling wordt genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Eiser heeft daartegen op diezelfde datum beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, zoals bedoeld in artikel 43, derde lid van de AMbV. Vanaf dat moment was zodoende sprake van opschortende werking van het overdrachtsbesluit. Eiser heeft vervolgens zelf op 28 juni 2026 het asielberoep en de voorlopige voorziening ingetrokken. Vanaf die datum is niet langer sprake meer van opschortende werking van het overdrachtsbesluit. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de termijn van vijf weken ingaat vanaf datum waarop het beroep of bezwaar niet langer opschortende werking heeft, zoals bedoeld in artikel 45, derde lid, onder b, van de AMbV. Voor zover eiser heeft willen betogen dat, nu er geen sprake meer is van een beroep, wordt teruggevallen op artikel 45, derde lid, onder a, van de AMbV, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Overigens heeft eiser deze stelling ook niet nader onderbouwd.
5.3.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht naar Polen. De minister heeft ter zitting toegelicht dat op 1 juli 2026 een verzoek is neergelegd bij luchtvaartmaatschappij Oman Air voor goedkeuring om de bij hen neergelegde claim om te buigen en een vlucht te boeken naar Polen (Warschau) op 10 juli 2026 om 14:00 uur. Daarnaast is voor eiser een laissez-passer ontvangen. Hoewel de minister ten tijde van de zitting nog geen reactie heeft ontvangen van de luchtvaartmaatschappij, is de rechtbank van oordeel dat op dit moment geen aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de bewaring te lang zal gaan duren. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.6
5 Verordening (EU) 2024/1315.
6 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.