ECLI:NL:RBDHA:2026:19119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36007
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.5 lid 2 VbArt. 12 lid 3 Screeningsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet

Eiser, een Chinese nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 29 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). Hij betwistte deze maatregel en voerde onder meer aan dat de screening van zijn kwetsbaarheid onvoldoende zorgvuldig was uitgevoerd en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelt dat de Koninklijke Marechaussee (Kmar) bevoegd is om tijdens de screening een voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten. De screening heeft plaatsgevonden en het voorlopige oordeel was dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De rechtbank stelt vast dat eiser geen medische of psychische omstandigheden heeft die detentieongeschiktheid rechtvaardigen.

Verder is overwogen dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist en dat de aanwezigheid van familieleden in Nederland niet automatisch leidt tot toepassing van een lichter middel. Ook de capaciteit van de grensdetentie was niet overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36007

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

1. Bij besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Toetsingskader
3.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3.1.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Screening
4. Eiser voert aan dat de uitgevoerde screening, die moet plaatsvinden om te kunnen bepalen of grensdetentie kan worden toegepast, niet voldoende zorgvuldig is geweest. Deze screening vereist een beoordeling van de kwetsbaarheid van de vreemdeling en moet worden verricht door gespecialiseerd en daartoe opgeleid personeel. Onvoldoende is gebleken dat de Kmar [3] bevoegd is om de kwetsbaarheid te screenen.
4.1.
Uit artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening volgt dat tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid wordt gemaakt door gespecialiseerd, daartoe opgeleid personeel van de screeningsdiensten. De rechtbank stelt vast dat de minister is aangewezen als verantwoordelijke autoriteit om de screening uit te voeren. In de asielgrensprocedure ligt die bevoegdheid bij de Kmar. [4] Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit ook de bevoegdheid van de Kmar om tijdens de screening een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Verder betoogt eiser dat de motivering in het kader van de kwetsbaarheid onvolledig en onzorgvuldig is. Een reden voor het indienen van een asielaanvraag is dat eiser door de Chinese autoriteiten is opgepakt en geïntimideerd, waardoor hij psychologisch geweld heeft ervaren. Tijdens de screening is hier geen aandacht voor geweest.
4.3.
Eisers betoog wordt niet gevolgd. De rechtbank stelt vast dat de screening van de kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden en dat het voorlopige oordeel is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De juistheid van die voorlopige conclusie kan worden betwist in de asielprocedure. Bij de maatregel speelt alleen de vraag of iemand om medische of psychische omstandigheden niet de vrijheid kan worden ontnomen. De minister heeft in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel vragen gesteld aan eiser of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat zijn vrijheid niet kan worden ontnomen. Eiser heeft de vraag of hij leidt aan een ernstige ziekte of lichamelijke aandoening waarvoor direct medische hulp noodzakelijk is met “nee” beantwoord. Hetzelfde antwoord heeft eiser gegeven op de vraag of hij last heeft van andere ziektes, lichamelijke aandoeningen of beperkingen. Ook heeft eiser aangegeven dat hij geen medicijnen gebruikt. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat er geen andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om zijn asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Aan het eind van het gehoor zijn de eigen bevindingen van de verbalisant genoteerd en heeft hij aangegeven dat er geen onmiddellijk identificeerbare lichamelijke of geestelijke handicap en geen zichtbare of merkbare psychische of fysieke trauma’s zijn waargenomen of aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de huidige informatie onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt zou zijn. Eiser kan zich zo nodig alsnog wenden tot de medische dienst of een beoordeling laten maken van eventuele detentieongeschiktheid.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat de minister een minder dwingende maatregel had kunnen opleggen, omdat hij tijdens het gehoor heeft aangegeven dat zijn vader als statushouder in Nederland woont. Eiser kan in afwachting van zijn asielprocedure bij zijn vader verblijven.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraak [5] volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
5.2.
Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft hij verklaard dat zijn vader in Nederland woont en twee jaar geleden een asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft deze verklaring betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Daarbij is overwogen dat de omstandigheid dat familieleden in Nederland verblijven niet betekent dat feitelijk toegang tot het grondgebied wordt verleend of dat van grensdetentie moet worden afgezien. Ook is overwogen dat eiser als meerderjarige en zonder familieleden naar Nederland is gereisd en dat hieruit niet blijkt van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met de in Nederland verblijvende familieleden dat de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend is.
5.3.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. De stelling dat eiser onvoldoende heeft begrepen dat er minder dwingende maatregelen mogelijk zijn en dat hij daarom in dat kader summier heeft verklaard, maakt dat oordeel niet anders. De beroepsgrond dat de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven moet worden omdat aan eiser een informatiefolder in de Engelse taal is uitgereikt en hij die taal niet machtig is, wordt ook niet gevolgd. In het dossier bevindt zich namelijk een informatiefolder (M19B) die in de Chinese taal is opgesteld. Op dit stuk staat de naam van eiser handgeschreven.
Opvangcapaciteit
6. Eiser voert ten slotte aan dat 211 vreemdelingen in grensdetentie moeten verblijven en dat onduidelijk is of deze capaciteit al is opgebruikt. Als dit het geval is, dan dient eiser namelijk buiten de grensprocedure te worden geplaatst.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de capaciteit voor grensprocedures in Nederland is vastgesteld op 211 plekken. Op het moment dat de maximale opvangcapaciteit is bereikt, moet de minister maatregelen nemen. Een mogelijk gevolg van de maximale capaciteit is dat grensdetentie voor een bepaalde groep vreemdelingen niet (meer) mogelijk is. Van een dergelijke situatie is in onderhavige procedure echter niet gebleken.
7. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Koninklijke Marechaussee.
4.Zie artikel 2, tiende lid, van de Screeningsverordening en artikel 2ff van de Vw 2000.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.