ECLI:NL:RBDHA:2026:19131
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Verzoeker diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde verzet in tegen deze uitspraak en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij uitspraak van 8 juli 2026 werd het verzet ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is op 9 juli 2026 gedaan en openbaar gemaakt, en hiertegen staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening in de asielzaak is afgewezen omdat het verzet ongegrond is verklaard.