ECLI:NL:RBDHA:2026:19304
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking asielbesluit wegens moratorium
Verzoeker, een Iraanse asielzoeker, diende op 7 december 2025 een asielaanvraag in die op 24 december 2025 kennelijk ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde hij beroep en een verzoek om voorlopige voorziening in. Op 15 april 2026 trok de minister het besluit in vanwege een besluit- en vertrekmoratorium van 18 maart 2026. Vervolgens trok verzoeker zijn beroep en voorlopige voorziening in en verzocht de rechtbank om een proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het besluit niet neerkomt op een tegemoetkoming aan verzoeker, omdat deze voortvloeit uit gewijzigde omstandigheden (het moratorium). De rechtbank volgde het standpunt van de minister en verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2023.
Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 9 juli 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de intrekking van het asielbesluit voortvloeit uit een moratorium en niet uit een tegemoetkoming aan verzoeker.