ECLI:NL:RBDHA:2026:19304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.63485 en NL25.63486
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking asielbesluit wegens moratorium

Verzoeker, een Iraanse asielzoeker, diende op 7 december 2025 een asielaanvraag in die op 24 december 2025 kennelijk ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde hij beroep en een verzoek om voorlopige voorziening in. Op 15 april 2026 trok de minister het besluit in vanwege een besluit- en vertrekmoratorium van 18 maart 2026. Vervolgens trok verzoeker zijn beroep en voorlopige voorziening in en verzocht de rechtbank om een proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het besluit niet neerkomt op een tegemoetkoming aan verzoeker, omdat deze voortvloeit uit gewijzigde omstandigheden (het moratorium). De rechtbank volgde het standpunt van de minister en verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2023.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 9 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de intrekking van het asielbesluit voortvloeit uit een moratorium en niet uit een tegemoetkoming aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.63485 en NL25.63486
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1999, van Iraanse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de verzoeken van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.1.
Verzoeker heeft op 7 december 2025 asiel aangevraagd. Verweerder heeft met het besluit van 24 december 2025 de aanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard, op grond van artikel 31, eerste lid, en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, en e, van de Vw 2000 [1] .
1.2.
Verzoeker heeft op 29 december 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 24 december 2025, als ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
1.3.
Verweerder heeft bij brief van 15 april 2026 laten weten dat het besluit van 24 december 2025 wordt ingetrokken, vanwege het besluit- en vertrekmoratorium van 18 maart 2026. [2] Verzoeker heeft als gevolg hiervan op 3 juni 2026 het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en de rechtbank in beide zaken verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft bij brief van 17 juni 2026 laten weten niet bereid te zijn om een proceskostenvergoeding aan te bieden.
1.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek. [3]

Overwegingen

2. De rechtbank wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.
Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [4] De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van verweerder in de brief van 17 juni 2026, namelijk dat eiser niet tegemoet wordt gekomen met de intrekking van het besluit omdat de intrekking heeft plaatsgevonden op basis van een veranderde omstandigheid. Deze veranderde omstandigheid is gelegen in het besluit- en vertrekmoratorium van 18 maart 2026. Verweerder heeft in dit kader terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling [5] van 4 december 2023. [6]
2.3.
De rechtbank wijst het verzoek om een veroordeling in de proceskosten in zowel het beroep, als het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af als kennelijk ongegrond.

Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Staatscourant 2026, nr. 11864, ‘Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 maart 2026, nummer 7273172 tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen
3.Dit volgt voor het beroep uit artikel 8:54, eerste lid, samen met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de voorlopige voorziening volgt dit uit artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.