ECLI:NL:RBDHA:2026:19349

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705859 / KG RK 26-844
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in ontnemingszaak wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker, gedetineerd en veroordeelde in een ontnemingszaak, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag. Het verzoek betrof de behandeling van de zaak op 22 mei 2026, waarbij de raadsman van verzoeker niet op de hoogte was van de zitting en niet aanwezig was. Verzoeker stelde dat de rechters wisten van de afwezigheid en de zaak toch voortzetten, wat de schijn van partijdigheid zou wekken.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek en concludeerde dat de rechters in de veronderstelling verkeerden dat de raadsman wel was opgeroepen, omdat de oproeping zichtbaar was in het digitale dossier. De griffier had contact met de raadsman opgenomen, die toen nog niet had bevestigd dat hij geen oproeping had ontvangen. Verzoeker had tijdens de zitting aangegeven dat de zaak inhoudelijk kon worden behandeld, waarna het verzoek tot aanhouding werd afgewezen.

De kamer oordeelde dat de beslissing om de zaak voort te zetten een procedurele beslissing is en geen grond voor wraking vormt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid geven. Dit was niet het geval. Ook het negatieve commentaar van de officier van justitie over de afwezigheid van de raadsman vormde geen reden tot wraking.

De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid of schijn daarvan.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/39
zaak- /rekestnummer: C/09/705859 / KG RK 26-844
Beslissing van 29 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] , locatie “ [locatie] ”,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,
strekkende tot de wraking van
mrs. J.R.K.A.M. Waasdorp, K.C.J. Vriend en J. Schaaf,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 22 mei 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 8 juni 2026.
1.2.
Op 15 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd;
- mr. R.P. Tuinenburg, de officier van justitie in de hoofdzaak, als toehoorder.
De rechters hebben laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met parketnummer 09/333253-22. Dit betreft een ontnemingszaak waarbij verzoeker de veroordeelde is. Op
22 mei 2026 werd in die zaak zitting gehouden.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, kort samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De raadsman van verzoeker (hierna: de raadsman) was niet op de hoogte van de zitting van 22 mei 2026. Hij is die ochtend gebeld door de griffier met de vraag waar hij was. Hij heeft aan de griffer verteld dat hij niet wist van de zitting, dat hij het zou uitzoeken en dat de zaak in ieder geval niet behandeld kon worden. Een medewerker van de verkeerstoren heeft vervolgens desgevraagd aan de raadsman laten weten dat de oproeping voor de zitting niet aan hem was verstuurd. De raadsman heeft er hierna alles aan gedaan om contact te leggen met de rechtbank om de situatie recht te zetten. De griffier nam zijn telefoon niet op en heeft op Whatsapp berichten van de raadsman niet gereageerd en de bode weigerde om tijdens de zitting de zittingzaal in te lopen. De rechters wisten volgens de raadsman dat de oproeping voor de zitting niet aan hem was verstuurd en hadden de behandeling moeten aanhouden en minst genomen verzoeker in de gelegenheid moeten stellen om contact op te nemen met zijn raadsman. Het gaat immers om een ontnemingszaak met mogelijk zeer grote vermogensrechtelijke gevolgen. Met de keuze om de zaak toch verder op zitting te behandelen, zonder de aanwezigheid van de raadsman, hebben de rechters de schijn van partijdigheid gewekt. Daarnaast heeft de voorzitter (of één van de andere rechters) niet ingegrepen toen de officier van justitie zich tijdens de zitting negatief uitliet over de (afwezigheid van de) raadsman.
2.3.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de bode voorafgaand aan het uitroepen van de zaak aan de rechters heeft laten weten dat de raadsman niet aanwezig was. Hierop heeft de griffier contact met de raadsman opgenomen. Deze liet de griffier weten niet op de hoogte te zijn van de zitting en liet weten dat de behandeling van de zaak moest worden aangehouden. Verzoeker gaf tijdens de zitting aan dat hij geen contact met zijn raadsman had gehad en dat de zaak inhoudelijk kon worden behandeld. Het aanhoudingsverzoek is vervolgens afgewezen. De voorzitter heeft ter zitting voorts medegedeeld dat er voorafgaand aan de zitting verschillende schriftelijke rondes hadden plaatsgevonden.
3.3.
De beslissing van de rechters om de behandeling van de zaak niet aan te houden, is een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig in beginsel geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is uitsluitend anders indien de beslissing van de rechter, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Dat van zo’n uitzonderlijke situatie sprake is, is niet gebleken. De wrakingskamer legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
3.3.
Uit de reactie van de rechters van 8 juni 2026 blijkt dat zij tijdens de terechtzitting in de veronderstelling verkeerden dat de raadsman wel degelijk was opgeroepen voor de zitting. De oproeping was namelijk zichtbaar in het digitale dossier van de rechters (DIVOS). Verzoekers’ betoog dat de rechters wisten dat zijn raadsman geen oproeping had ontvangen, is dan ook onjuist. Uit het proces verbaal van de terechtzitting blijkt verder dat de raadsman tijdens het telefonisch contact met de griffier voorafgaand aan de terechtzitting, liet weten niet op de hoogte te zijn van de zitting en hij heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Tijdens dat gesprek heeft de raadsman echter nog niet aangegeven dat hij de oproeping niet ontvangen had. Dat bleek immers pas toen de raadsman dat na dat gesprek naging en dit bevestigd kreeg van de verkeerstoren. Dat het bericht van de verkeerstoren dat de raadsman niet was opgeroepen
tijdensde zitting ook de rechters heeft bereikt, blijkt nergens uit. Overigens hebben de rechters in hun schriftelijke reactie aangegeven dat zij de bode niet hebben geïnstrueerd om contact tussen de raadsman en de rechtbank onmogelijk te maken.
De rechters hebben voorts laten weten dat zij uit het telefoongesprek tussen de griffier en verzoekers raadsman hebben afgeleid dat werd verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Dit verzoek is op de zitting met verzoeker besproken. Zoals hiervoor beschreven, gaf verzoeker aan dat de zaak inhoudelijk behandeld kon worden, terwijl er ook al schriftelijke rondes waren geweest waarin de raadsman de visie van de verdediging naar voren had kunnen brengen. Het aanhoudingsverzoek is vervolgens afgewezen. Verzoeker heeft deze gang van zaken tijdens de zitting bij de wrakingskamer bevestigd. Onder deze omstandigheden is het voorzetten van de zitting naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan te merken als een blijk van vooringenomenheid. Dat de raadsman na het eerste telefoongesprek met de griffier veelvuldig geprobeerd heeft om contact te krijgen met de griffier dan wel de rechters, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat de bode niet de zittingzaal is ingelopen om het bericht van de raadsman door te geven aan de rechters. Dit is weliswaar ongelukkig, maar levert geen grond voor wraking op. Naar het oordeel van de wrakingskamer is het verder begrijpelijk dat de griffier zijn nadat de zitting was begonnen niet meer telefonische oproepen en Whatsappberichten heeft gereageerd. Dat is niet ongebruikelijk en voorkomt dat de griffier tijdens de zitting wordt afgeleid. Dat de bode heeft aangegeven de zittingszaal niet te kunnen betreden komt niet voor rekening van de rechters.
3.4.
Verzoekers betoog dat de voorzitter (of één van de andere rechters) had moeten ingrijpen toen de officier van justitie zich tijdens de zitting negatief uit liet over (de afwezigheid van) de raadsman, levert ook geen geslaagde wrakingsgrond op. De wrakingskamer kan uit het proces verbaal niet opmaken dat de bewoordingen van de officier van justitie zodanig van aard waren dat zij een actie vereisten van de voorzitter of de andere rechters. Het nalaten daarvan levert dan ook geen blijk van partijdigheid op, dan wel een gegronde vrees daartoe.
4. De beslissing
De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat;
• de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.E. Bierling, M.F. Baaij en R.E. Perquin, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Badermann en in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.