ECLI:NL:RBDHA:2026:19361

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.44389
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 VwArt. 20 VWEUArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag document op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet wegens rechtmatig verblijf

Eiseres, afkomstig uit Uganda, diende op 5 februari 2023 een asielaanvraag in voor zichzelf en haar minderjarige dochter. Daarnaast heeft zij een minderjarige zoon met de Nederlandse nationaliteit. Op 21 maart 2023 vroeg zij een document aan op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, gebaseerd op een afgeleid verblijfsrecht volgens het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie.

De minister wees deze aanvraag bij besluit van 21 december 2023 af en handhaafde deze afwijzing bij het bezwaarbesluit van 18 augustus 2025. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 2 juli 2026 en oordeelde dat de minister terecht heeft geweigerd het document te verstrekken omdat eiseres al procedureel rechtmatig verblijf heeft.

Eiseres voerde aan dat de trage asielprocedure niet tegen haar mocht worden gebruikt en dat de minister ten onrechte niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had verleend. De rechtbank verwierp deze argumenten, stellende dat het verblijfsrecht van eiseres voldoende is en dat de minister de belangenafweging op juiste wijze heeft gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de aanvraag voor het document op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44389

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 200 (Vw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geweigerd om een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw te verstrekken omdat eiseres al rechtmatig verblijf heeft in Nederland
.Ook hoefde de minister aan eiseres niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiseres komt uit Uganda en heeft op 5 februari 2023 een asielaanvraag ingediend voor zichzelf en haar minderjarige dochter. Eiseres heeft ook een minderjarige zoon in Nederland. Op de asielaanvraag is nog niet beslist.
2. Eiseres heeft op 21 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw, vanwege een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Eiseres beoogt verblijf bij haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Bij primair besluit van 21 december 2023 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep van eiseres in de zaak NL25.56506. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiseres heeft verzocht om te worden vrijgesteld van betaling van het griffierecht. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de vereisten voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zij procedureel rechtmatig verblijf heeft vanwege haar asielaanvraag. Dat procedureel rechtmatig verblijf is niet zodanig sterk dat aan haar een verblijfsrecht als bedoeld in van het arrest Chavez-Vilchez mag worden onthouden. De trage besluitvorming in de asielprocedure wordt op deze manier tegen haar gebruikt en dat is niet in het belang van eiseres en haar kinderen.
7.1.
De rechtbank volgt dit betoog niet. De minister heeft namelijk terecht erop gewezen dat het bij een verblijfsrecht als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez erom gaat of haar Nederlandse zoon zodanig afhankelijk is van eiseres, dat hij het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als aan haar een verblijfsrecht wordt geweigerd. [1] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, aangezien eiseres procedureel rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank begrijpt weliswaar dat eiseres vindt dat de asielprocedure te lang duurt, maar dit neemt niet weg dat eiseres op dit moment rechtmatig verblijf heeft en er dus geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez.
8. Eiseres betoogt verder dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of zij en haar dochter in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar zoon.
8.1.
De rechtbank volgt ook dit betoog niet. Anders dan eiseres betoogt, heeft de minister namelijk in het bestreden besluit en het daarin ingelaste primaire besluit beoordeeld of zijn besluit om de aanvraag af te wijzen in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM en of aan eiseres en haar dochter ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zou moeten worden verleend. De minister heeft aangenomen dat er familieleven en privéleven is als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. In het kader van de belangenafweging heeft de minister van doorslaggevend belang mogen achten dat eiseres en haar dochter op dit moment rechtmatig verblijf hebben en daardoor op dit moment het gezinsleven en privéleven zonder belemmeringen in Nederland kunnen uitoefenen. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verlenen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk heeft en het besluit om geen document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw te verstrekken, in stand blijft. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344.