ECLI:NL:RBDHA:2026:19362
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Opheffing grensdetentie wegens overschrijding maximale duur en onrechtmatigheid voortzetting
Eiser, met de Srilankaanse nationaliteit, is sinds 2 mei 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft tegen het voortduren van deze vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was, maar dat de voortzetting ervan na die datum moet worden getoetst aan de maximale duur van 13 weken zoals bepaald door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Opvangrichtlijn. De behandeling van het asielberoep en het verzoek om voorlopige voorziening is door organisatorische redenen uitgesteld tot 27 augustus 2026, waardoor de grensdetentie langer dan 13 weken zal duren.
De rechtbank oordeelt dat deze overschrijding leidt tot een onrechtmatige voortzetting van de grensdetentie, die niet gerechtvaardigd kan worden door het grensbewakingsbelang van de minister. Hoewel de minister voortvarend heeft gehandeld door te verzoeken om vervroegde behandeling, weegt dit niet op tegen de schending van de rechten van eiser. De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de maatregel per 7 juli 2026 en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de grensdetentie per 7 juli 2026 wegens overschrijding van de maximale duur en onrechtmatigheid voortzetting.