ECLI:NL:RBDHA:2026:19367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33949
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 9 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige voortzetting grensdetentie wegens overschrijding termijn asielprocedure

Eiser, van Zimbabwaanse nationaliteit, werd op 6 april 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek bevestigd.

De rechtbank toetst nu de voortzetting van de detentie na het sluiten van het onderzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren en dat een duur langer dan 13 weken na oplegging in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Door organisatorische problemen bij de rechtbank is de behandeling van het asielberoep en het verzoek om voorlopige voorziening niet binnen deze termijn gepland.

De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de grensdetentie na 26 juni 2026 onrechtmatig is omdat de termijn van 13 weken wordt overschreden en het belang van grensbewaking dit niet rechtvaardigt. De maatregel wordt per die datum opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de onrechtmatigheid samenvalt met de opheffing. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de grensdetentie per 26 juni 2026 wegens overschrijding van de maximale duur van 13 weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33949
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

De minister heeft op 6 april 2026 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 26 juni 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Zimbabwaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1976.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 mei 2026 (in de zaak NL26.25086) volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025 [1] volgt dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw zo kort mogelijk moet duren. Niet iedere langere duur van grensdetentie levert per definitie strijd op met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, dat de grondrechten van vreemdelingen beoogt te waarborgen, vereist dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt. Als door organisatorische problemen bij de rechtbank de behandeling van het asielberoep, dan wel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zeer lang op zich laat wachten, kan dit leiden tot de conclusie dat de grensdetentie niet zo kort mogelijk duurt. De Afdeling heeft daarom een maximaal toegestane duur voor grensdetentie bepaald, ook al kan dat betekenen dat de minister het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. De Afdeling heeft artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.
4. In dit geval is de asielaanvraag ingediend op 6 april 2026, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. De minister heeft op 29 april 2026 een besluit op de asielaanvraag genomen. Op 4 mei 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen het asielbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Het asielberoep en de voorlopige voorziening zijn om organisatorische redenen vooralsnog niet op een zitting ingepland.
De kans dat het alsnog wel gaat lukken om het asielberoep en het verzoek om een voorlopige voorziening tijdig in te plannen is dermate verwaarloosbaar dat ervan uit moet worden gegaan dat de termijn van dertien weken niet zal worden gehaald. Deze termijn verloopt immers al op 6 juli 2026.
5. Bij deze stand van zaken moet er dus van worden uitgegaan dat eiser op het moment van de geplande behandeling van zijn asielberoep meer dan dertien weken op deze grondslag in grensdetentie zal verblijven en de vrijheidsontneming alsdan niet zo kort als mogelijk zal hebben geduurd als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Een verdere voortduring van de grensdetentie zal daarvoor evenmin voldoen aan het vereiste van te goeder trouw als bedoeld in artikel 5, eerst lid aanhef en onder f, van het EVRM. [2]
6. Deze voorzienbare schending van beide artikelen is een belangrijke omstandigheid die de rechtbank bij de vraag naar de evenredigheid van de maatregel reeds nu in ogenschouw dient te nemen. De rechter moet (ambtshalve) immers alle relevante feiten en omstandigheden betrekken bij de vraag naar de rechtmatigheid van (het voortduren van) de
vrijheidsontneming. [3] Zou de rechtbank deze omstandigheid niet in haar beoordeling (kunnen) meenemen, dan biedt de rechter ook geen effectieve rechtsbescherming.
7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang niet zo zwaar weegt dat daarmee de voorziene te lange duur van grensdetentie kan worden gerechtvaardigd. Het voortduren van de bestreden maatregel is daarom met ingang van heden niet langer evenredig en daardoor onrechtmatig.
8. Het beroep is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf 26 juni 2026 onrechtmatig. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestreden maatregel al op een eerder moment onrechtmatig te achten. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 26 juni 2026.
9. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026 door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, rechtsoverweging 67.
3.ECLI:EU:C:2022:858, rechtsoverweging 87.