ECLI:NL:RBDHA:2026:19368

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19733, NL26.19734, NL26.19735 en NL26.19736
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Dublinverordening (604/2013)Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen en overdracht aan Frankrijk

Eisers, Eritrese asielzoekers met minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen in Nederland en tegen hun overdracht aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening. De minister had de aanvragen niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling, wat door de Franse autoriteiten is bevestigd.

Eisers stelden dat de opvang in Frankrijk ernstig tekortschiet, met verwijzing naar meerdere AIDA-rapporten en een uitspraak van het EHRM, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer toegepast mag worden. Ook voerden zij aan dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid onvoldoende had benut en onvoldoende rekening had gehouden met het belang van hun kinderen, waaronder een kind met spraakproblemen.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat niet is gebleken dat de problemen in Frankrijk zodanig structureel en ernstig zijn dat er een reëel risico is op schending van fundamentele rechten. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich tot Franse autoriteiten hebben gewend of dat klagen zinloos is. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het belang van de kinderen een uitzondering rechtvaardigt. De beroepen zijn daarom ongegrond en de verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen en de overdracht aan Frankrijk worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.19733 (beroep)
NL26.19734 (voorlopige voorziening)
NL26.19735 (beroep)
NL26.19736 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag 1] 2003, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

[eiser] ,

geboren op [geboortedag 2] 2001, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
mede namens hun minderjarige kinderen:

[persoon 1] ,

geboren op [geboortedag 3] 2022,

[persoon 2] ,

geboren op [geboortedag 4] 2025,
allen van Eritrese nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G. Wezelman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen en hun verzoeken om een voorlopige voorziening.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen ongegrond. De verzoeken om een voorlopige voorziening wijst zij af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben eerder op 24 juni 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Met de besluiten van 16 oktober 2025 heeft de minister de aanvragen van eisers niet in behandeling genomen. Op 10 december 2025 zijn eisers overgedragen aan Frankrijk.
2.1.
Op 13 december 2025 hebben eisers opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Met de bestreden besluiten van 8 april 2026 heeft de minister deze aanvragen niet in behandeling genomen.
2.2.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen en de voorlopige voorzieningen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, N. Fictoor als tolk in de taal Oromo en de gemachtigde van de minister. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2.4.
Op 5 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De rechtbank heeft namelijk na de zitting geconstateerd dat AIDA [1] een nieuw rapport over Frankrijk heeft uitgebracht over 2025. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit rapport te reageren.
2.5.
Partijen hebben een reactie ingediend. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De bestreden besluiten
4. De minister heeft de asielaanvragen niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eisers eerder in Frankrijk asiel hebben aangevraagd. Daarom heeft Nederland de Franse autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen. De autoriteiten van Frankrijk zijn hier op 4 februari 2026 mee akkoord gegaan. [2]
4.1.
De minister heeft geen reden gezien om de aanvragen alsnog in behandeling te nemen. Hoewel er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, is niet gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest [3] of artikel 3 van Pro het EVRM [4] . De minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit rechtspraak van de Afdeling. [5] Dat eisers eerder geen opvang hebben gekregen in Frankrijk, hebben zij niet onderbouwd. Niet is gebleken dat eisers hebben geklaagd bij de Franse autoriteiten en ook is niet gebleken dat het onmogelijk is voor eisers om te klagen. Verder is met betrekking tot de situatie van eisers enkel gesteld, maar niet gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat het in het belang is van de kinderen om in Nederland te blijven. Tot slot is niet gebleken dat eisers bijzonder kwetsbaar zijn. Het enkele gegeven dat eiseres recent is bevallen en dat eisers minderjarige kinderen hebben, leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eisers voeren ten eerste aan dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers hebben verklaard dat zij geen opvang hebben kregen nadat zij waren overgedragen aan de Franse autoriteiten. Zij kregen alleen het advies om telefoonnummer 115 van het Rode Kruis te bellen. Drie dagen lang hebben zij gebeld, maar de telefoon werd niet opgenomen. Zij stonden op straat met hun twee jonge kinderen. Eisers zijn daarom teruggekeerd naar Nederland. Deze verklaringen vormen volgers eisers concrete aanwijzingen dat de opvangvoorzieningen in Frankrijk ernstige en structurele problemen vertonen. Dit geldt in het bijzonder voor Dublinterugkeerders en asielzoekers die, zoals eisers, zijn uitgeprocedeerd in Frankrijk. Eisers verwijzen daarbij naar verschillende AIDA-rapporten over Frankrijk. Daarin staat al meerdere jaren achtereen dat Dublinterugkeerders grote obstakels ondervinden bij het verkrijgen van opvang. [6] Al vijf jaar lang woont 70% van de Dublinterugkeerders op straat of in kraakpanden. Bovendien kreeg slechts 64% van de asielzoekers die in aanmerking komen voor opvang, daadwerkelijk materiële opvangvoorzieningen. [7] De minister heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden.
5.1.
Uit het meest recente AIDA-rapport blijkt volgens eisers dat de Franse autoriteiten zich stelselmatig aan hun verantwoordelijkheid onttrekken bij de aankomst van Dublinterugkeerders op het vliegveld van Parijs door hen door te verwijzen naar een NGO, en dat er een tekort van 50% is in de opvang, wat ook geldt voor Dublinterugkeerders. [8] Ook volgt het rapport dat Dublin-asielzoekers geen toegang hebben tot bepaalde opvangcentra en dat Dublinterugkeerders nog steeds op straat of in een kraakpand moeten leven vanwege het
tekort aan opvang. Inmiddels leeft meer dan 80% van deze asielzoekers op straat of in een kraakpand. [9] Dat is al vele jaren het geval, want de betreffende passage stond ook in de rapporten over 2021, 2022, 2023 en 2024. Verder stellen eisers dat zij na de overdracht een herhaalde asielaanvraag moeten indienen, omdat hun aanvraag eerder is afgewezen. Uit het AIDA-rapport volgt dat de kans groot is dat eisers daarom geen opvang zullen krijgen. [10] Kortom, de terugkerende observatie in de opeenvolgende AIDA-rapporten is dat Dublinterugkeerders grote problemen hebben om opvang te krijgen in Frankrijk. Dit moet reden zijn om te oordelen dat er nog steeds problemen zijn voor de opvang van deze groep, dat de situatie niet is verbeterd sinds tenminste 2022 en dat er duidelijk structurele problemen bestaan in Frankrijk bij de opvang van deze groep asielzoekers, die niet worden opgelost.
5.2.
Daarbij vinden eisers dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zij niet hebben geklaagd bij de Franse autoriteiten over het gebrek aan opvang. Eisers verwijzen naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit volgens eisers volgt dat klagen over een gebrek aan opvang bij de Franse autoriteiten geen zin heeft. [11] Zelfs als klagen wel enige zin heeft in Frankrijk, verklaren eisers dat zij dit gedaan hebben of dat zij niet wisten bij wie dat precies moest. In het aanmeldgehoor heeft de minister daarop niet of nauwelijks doorgevraagd, wat op zichzelf ook al een zorgvuldigheidsgebrek oplevert. Bovendien is onzeker of twee Eritrese vluchtelingen die geen Frans spreken, effectief kunnen klagen tegen de ontzegging van opvang.
6. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk mag worden uitgegaan. De rechtbank wijst daartoe op het volgende.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [12] ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [13] In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat, alhoewel er kan worden aangenomen dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
6.2.
De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen reden om anders te oordelen dan de Afdeling. Zij betrekt daarbij het meest recente AIDA-rapport. Dit rapport schetst naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan de eerdere AIDA-rapporten. De rechtbank onderkent dat uit de AIDA-rapporten al jaren blijkt dat in Frankrijk sprake is van een zorgelijke situatie, waarbij niet iedereen opvang krijgt. Zij constateert dat uit het meest recente AIDA-rapport volgt dat het percentage van mensen in de Dublinprocedure (zowel Dublinterugkeerders als verzoekers die door Frankrijk overgedragen zullen worden) dat aan het eind van 2025 werd opgevangen, is gedaald naar 20,2%. [14] Aan het eind van 2023 was dat nog 29,6% en voor 2024 zijn er geen cijfers. [15] Ook constateert de rechtbank dat uit het meest recente rapport blijkt dat het
United Nations Committee Against Torturein mei 2025 heeft geobserveerd dat in het Franse opvangsysteem sprake is van ‘tekortkomingen’, ‘moeilijkheden bij het verkrijgen van huisvesting’ en ‘ontoereikende materiële omstandigheden’ en heeft gesteld dat Frankrijk de inspanningen moet opvoeren om geschikte huisvesting en fatsoenlijke leefomstandigheden te waarborgen. [16]
6.3.
De rechtbank begrijpt dat deze omstandigheden voor eisers in het bijzonder problematisch zijn, omdat zij twee kleine kinderen hebben. Echter vindt de rechtbank dat het op de weg van eisers had gelegen om zich te wenden tot de Franse autoriteiten. Eisers stellen dat zij bij aankomst op de luchthaven Charles de Gaulle in Parijs het telefoonnummer van het Rode Kruis hebben gebeld en dat er niet werd opgenomen. Zij zijn drie dagen later teruggekeerd naar Nederland. Zij hebben behalve bellen naar het genoemde telefoonnummer geen pogingen ondernomen om zich in Frankrijk bij de daartoe aangewezen autoriteiten te melden voor opvang en een asielaanvraag. Ook hebben zij niet geklaagd bij de bevoegde autoriteiten over het uitblijven van opvang. Dat eisers onder verwijzing naar een uitspraak van het EHRM [17] stellen dat klagen in Frankrijk geen zin heeft, volgt de rechtbank niet. De genoemde uitspraak van het EHRM gaat over een vrouw en haar drie dochters die – na herhaaldelijke verzoeken en rechterlijk uitspraken in hun voordeel – geen (nood)opvang kregen. Niet is gebleken dat eisers in Frankrijk hebben geklaagd over het uitblijven van opvang. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat de Franse autoriteiten eisers niet zullen helpen als eisers zich daadwerkelijk tot hen wenden.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Gelet op het bijzondere samenstel van feiten en omstandigheden, bestond hier wel aanleiding toe. De minister heeft deze feiten en omstandigheden onvoldoende meegewogen.
8. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden die eisers in dit kader naar voren brengen, door de minister al zijn beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister daarmee ook voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet heeft gebruikt. [18]
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Belang van het kind
9. Tot slot voeren eisers aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van hun kinderen. Eisers hebben beiden verklaard dat hun oudste kind niet praat en spraaktherapie voorgeschreven krijgt. Het AIDA-rapport vermeldt dat kinderen met speciale noden problemen ondervinden in Frankrijk, omdat daar een tekort aan hulp is voor hen. [19]
10. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eisers enkel hebben gesteld, maar niet hebben onderbouwd dat hun oudste kind spraaktherapie nodig heeft. Ook hebben eisers niet toegelicht wat deze omstandigheid betekent voor de overdracht. Bovendien vermeldt de pagina van het AIDA-rapport waarnaar eisers verwijzen, dat asielzoekende kinderen met speciale behoeften geconfronteerd worden met dezelfde moeilijkheden als kinderen met speciale behoeften in Frankrijk in het algemeen. De toegang tot opgeleid en gespecialiseerd personeel dat belast is met de ondersteuning van deze kinderen tijdens hun onderwijs op reguliere scholen, is zeer beperkt. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat spraaktherapie voor kinderen in Frankrijk helemaal niet beschikbaar is.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.
12. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De verzoeken worden daarom afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummers NL26.19733 en NL26.19735:
- verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder nummers NL26.19734 en NL26.19736:
- wijst de verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Asylum Information Database.
2.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening (604/2013).
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.AIDA, ‘Country Report France update 2024’, gepubliceerd in 2025, pagina 75. AIDA, ‘Country Report France update 2023’, gepubliceerd in 2024, pagina 74. AIDA, ‘Country Report France update 2022’, gepubliceerd in 2023, pagina 61. AIDA, ‘Country Report France update 2021’, gepubliceerd in 2022, pagina 61.
7.AIDA, ‘Country Report France update 2024’, gepubliceerd in 2025, pagina 113 en 125.
8.AIDA, ‘Country Report France update 2025’, gepubliceerd in 2026, pagina 77-78.
9.AIDA, ‘Country Report France update 2025’, gepubliceerd in 2026, pagina 130.
10.AIDA, ‘Country Report France update 2025’, gepubliceerd in 2026, pagina 119.
11.EHRM,
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
14.AIDA, ‘Country Report France update 2025’, gepubliceerd in 2026, pagina 130.
15.AIDA, ‘Country Report France update 2024’, gepubliceerd in 2025, pagina 124.
16.AIDA, ‘Country Report France update 2025’, gepubliceerd in 2026, pagina 135.
17.EHRM,
18.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
19.AIDA, ‘Country Report France 2024 (update 2025), pagina 133.