ECLI:NL:RBDHA:2026:19376
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet
Eiser is op 4 juli 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft op diezelfde dag een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet, vanwege het niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden. Eiser betoogde dat hij met een geldig visum vanuit Oman naar Nederland was gereisd en dat een lichter middel, zoals een verzwaarde meldplicht, had moeten worden toegepast.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed en dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist. De rechtbank overweegt dat eiser zijn visum onder valse voorwendselen heeft verkregen door een ander doel op te geven dan waarvoor het visum was bedoeld. Dit rechtvaardigt het opleggen van de maatregel.
De rechtbank concludeert dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die dit zouden rechtvaardigen. De vrijheidsontnemende maatregel is daarom rechtmatig opgelegd en voortgezet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging en voortzetting van de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.