ECLI:NL:RBDHA:2026:19376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37186
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 5.5 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet

Eiser is op 4 juli 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft op diezelfde dag een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet, vanwege het niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden. Eiser betoogde dat hij met een geldig visum vanuit Oman naar Nederland was gereisd en dat een lichter middel, zoals een verzwaarde meldplicht, had moeten worden toegepast.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed en dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist. De rechtbank overweegt dat eiser zijn visum onder valse voorwendselen heeft verkregen door een ander doel op te geven dan waarvoor het visum was bedoeld. Dit rechtvaardigt het opleggen van de maatregel.

De rechtbank concludeert dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die dit zouden rechtvaardigen. De vrijheidsontnemende maatregel is daarom rechtmatig opgelegd en voortgezet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging en voortzetting van de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37186

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. Bij besluit van 5 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Zijn gemachtigde is bij de rechtbank in Groningen verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Eiser is op 4 juli 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.
4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
5. Eiser voert aan dat hij met een geldig visum, afgegeven door Nederland, vanuit Oman naar Nederland is gereisd en dat voor een lichter middel in de vorm van een verzwaarde meldplicht gekozen had moeten worden.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraak [3] volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen. Hij heeft verklaard dat hij in zijn land met de dood wordt bedreigd, dat hij in Nederland asiel aanvraagt vanwege de vrijheid van meningsuiting en de rechten in Nederland. De minister heeft deze verklaring betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Daarbij is overwogen dat uit de verklaring blijkt dat eiser zijn visum met een ander doel heeft aangevraagd dan waarvoor hij het daadwerkelijk heeft gebruikt, namelijk het aanvragen van lang verblijf in plaats van een kort verblijf. De minister stelt terecht dat eiser hiermee niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot Nederland en dat de geldigheid van het visum niet met zich meebrengt dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied moet worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien. Het gegeven dat eiser stelt dat als hij zich niet bij de grens had gemeld, hij zo door had kunnen reizen en zijn asielverzoek in vrijheid had kunnen afwachten, maakt dit niet anders. Doorslaggevend is dat eiser bij het aanvragen van zijn visum een andere verblijfsduur heeft opgegeven en op die manier onder valse voorwendselen het visum heeft verkregen.
6.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, toereikend heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. Daarmee zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De maatregel kan in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het asielgehoor met eiser op 13 juli 2026 zal plaatsvinden en dat hierna meer duidelijkheid zal ontstaat over het verloop van de asielprocedure voor eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.