ECLI:NL:RBDHA:2026:19378

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 94 VwArt. 106 VwArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en terugkeerweigering

Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat het terugkeerbesluit van 23 oktober 2025 rechtsgeldig is gepubliceerd en van kracht is.

Eiser heeft de gronden voor de bewaring niet betwist, maar stelde dat de refoulementbeoordeling onvoldoende was en dat het terugkeerbesluit niet correct was bekendgemaakt. De rechtbank oordeelt dat de refoulementbeoordeling zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij eiser meerdere malen is gehoord en geen concrete vrees voor vervolging heeft aangetoond. Ook is het terugkeerbesluit volgens de wettelijke regels bekendgemaakt.

De rechtbank acht de maatregel van bewaring passend en noodzakelijk, mede gelet op het ontbreken van een lichter middel en het feit dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de medische en psychische omstandigheden van eiser. Voorts is vastgesteld dat de minister voortvarend handelt om de uitzetting te realiseren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36834

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [2] Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. [4]
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [5]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk, en de gemachtigde van de minister zijn allen op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. [6] De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [7] Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [8] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [9]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat, of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
h. De vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn
verplichting tot terugkeer;
o. De vreemdeling niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van
afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft op 23 oktober 2025 het besluit genomen dat eisers asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, waarbij een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar zijn opgelegd. Op 2 juli 2026 is eiser via een claim-in vanuit Duitsland overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Eiser is vervolgens bij aankomst in Nederland in bewaring gesteld omdat de beschikking van 23 oktober 2025 van kracht is en eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Bekendmaking terugkeerbesluit
8. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 23 oktober 2025 niet op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt. Publicatie in de Staatscourant is volgens eiser niet voldoende waardoor het terugkeerbesluit niet in werking is getreden. Op grond hiervan is de inbewaringstelling niet rechtsgeldig.
9. De rechtbank is van oordeel dat het terugkeerbesluit volgens de daarvoor geldende wettelijke regels en bepalingen is gepubliceerd en dat dit op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het terugkeerbesluit is van kracht en staat in rechte vast. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Refoulementbeoordeling
10. Eiser stelt dat de refoulementbeoordeling ten tijde van zijn inbewaringstelling op
2 juli 2026 onvoldoende is.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Als eerste wordt opgemerkt dat eiser, nadat hij zijn asielaanvraag had ingediend op 17 mei 2025, niet is verschenen voor zijn aanmeldgehoor op 12 augustus 2025. Eiser heeft geen melding gemaakt van zijn afwezigheid of eventuele redenen hiervoor. Eiser is op 6 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken, zonder zijn motieven voor de door hem gestelde noodzaak tot internationale bescherming te onderbouwen. Hierop heeft de minister op 23 oktober 2025 het besluit genomen dat eisers asielaanvraag buiten behandeling is gesteld. Vervolgens is eiser op 2 juli 2026 via een claim-in overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Eiser is op 2 juli 2026 voorafgaand aan de inbewaringstelling gehoord. Tijdens dit gehoor zijn aan eiser verschillende vragen gesteld over een terugkeer naar zijn land van herkomst. Hierop is diverse malen teruggekomen en doorgevraagd maar eiser heeft alleen oppervlakkig verklaard. Zo geeft eiser aan dat hij niet kan terugkeren wegens omstandigheden. [10] Ook geeft eiser aan dat als hij overtuigend is, hij niet terug hoeft naar Libië en dat hij niet kan vertrekken naar Libië. [11] Eiser geeft aan niet terug te willen gaan, omdat de situatie niet juist is, dat hij ontwenningsverschijnselen en spanningen heeft. Ook heeft eiser verklaard dat hij niet in detail wil treden, over zijn komst naar Nederland en dat hij uiteindelijk naar Duitsland is vertrokken. [12] Uit deze verklaringen blijkt geen noodzaak tot internationale bescherming. Evenmin heeft eiser zijn vrees bij terugkeer concreet gemaakt ondanks dat hem dit meerdere malen is gevraagd. [13] Van onvoldoende doorvragen is dan ook geen sprake. Ook stelt eiser nog dat hij problemen heeft met het veiligheidsapparaat in Libië, dat hij daar heeft gewerkt en dat hij daarom met dit werk is gestopt. [14] Tot slot draagt gemachtigde ter zitting aan dat eiser zou willen terugkeren naar Libië. Ook hieruit blijkt geen risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. [15] De rechtbank oordeelt dat eiser zijn gestelde vrees bij terugkeer niet heeft gemotiveerd, noch aannemelijk gemaakt. Een eventueel aanvullend gehoor ten aanzien van de vrees tot vervolging bij terugkeer naar Libië doet hier niet aan af. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Lichter middel
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
12.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische/psychische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
12.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser stelt mee te willen werken is onvoldoende om de maatregel van bewaring op te heffen. Voortvarend handelen
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Zo heeft er op 8 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden.
Zicht op uitzetting
14. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië [16] niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Libië ontbreekt. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [17]
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
9.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
10.Pagina 3, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
11.Pagina 4, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
12.Pagina 5, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
13.Pagina 5, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
14.Pagina 5, M110, gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
15.Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156.
17.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).