ECLI:NL:RBDHA:2026:19384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36349
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.6 VbzVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring ondanks eerdere gebreken

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op 30 juni 2026. Eiser stelde dat eerdere gebreken in voorgaande bewaringen doorwerkten in de huidige maatregel, waaronder onjuiste grondslagen en een periode zonder geldige titel. De rechtbank oordeelde dat slechts twee gebreken aanwezig waren, die niet leidden tot een ernstige schending van het recht op vrijheid.

Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank vond de niet-betwiste gronden voldoende om de maatregel te dragen. Eiser voerde aan dat de maatregel onevenredig bezwarend was vanwege zijn verslavingsproblematiek en psychische problemen, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder de medische situatie voldoende had betrokken en dat de zorg in detentie adequaat was. Er was geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. T.T. van Wijchen namens de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [2] zich voordoen.
Doorwerking gebreken in vorige maatregelen
2. Eiser voert aan dat gebreken in de vorige maatregelen van bewaring doorwerken in de huidige maatregel van bewaring. Er is sprake van een opeenstapeling van vier gebreken. Het eerste gebrek is de onjuiste grondslag van de ophouding. Het tweede gebrek is de onjuiste grondslag van de maatregel die op 18 juni 2026 om 13:32 uur is opgelegd. Het derde gebrek is dat eiser een half uur in bewaring heeft gezeten zonder titel, doordat de M113 van de eerste maatregel op 18 juni 2026 is ondertekend op 13:41 uur en de daarop volgende maatregel van bewaring pas om 14:07 uur is opgelegd. Het vierde gebrek is dat de vorige maatregel van vreemdelingenbewaring niet tijdig is omgezet, zoals verweerder heeft erkend in zijn verweerschrift van 30 juni 2026.
3. Als uitgangspunt geldt dat een aan de eerste maatregel van bewaring klevend gebrek de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van aanvang af onrechtmatig maakt. Op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld indien zijn bewaring onrechtmatig is. [3]
4. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser geen sprake van een ernstige schending zoals hierboven bedoeld. Anders dan eiser betoogt, is geen sprake van vier, maar van twee gebreken in de voorgaande maatregelen van vreemdelingenbewaring. Ten aanzien van de grondslag van de ophouding verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 2 juli 2026, waarin is geoordeeld dat de juiste grondslag voor de ophouding is toegepast. [4] Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin eiser op 18 juni 2026 enige tijd zonder titel in bewaring heeft gezet. Immers, in de periode tussen de opheffing van de maatregel om 13:41 uur en de daarop volgende maatregel om 14:07 uur bevond eiser zich (wederom) in de ophoudingsfase. Dat betekent dat er twee gebreken zijn, namelijk de onjuiste grondslag van de eerste maatregel van 18 juni 2026 en de niet-tijdige omzetting van de tweede maatregel van 18 juni 2026. Deze maken, ook in samenhang gezien, echter niet dat sprake is van een ernstige schending van eisers recht om in vrijheid te worden gesteld indien zijn bewaring onrechtmatig is. Daarbij heeft allereerst te gelden dat de eerste, onrechtmatig geachte maatregel van 18 juni 2026 slechts zeer kort heeft geduurd: namelijk van 13:32 uur tot 13:41 uur. Ten aanzien van het tweede gebrek geldt dat de Afdeling eerder heeft geoordeeld dat een vrijheidsontneming op een onjuiste grondslag van negen dagen niet leidt tot een ernstige schending. [5] Nu in dit geval de vrijheidsontneming korter was dan in de uitspraak van de Afdeling, namelijk zes dagen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dit een ernstige schending oplevert. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser betwist gronden c en h.
8. De rechtbank stelt vast dat de gronden a, b, p, r en s niet zijn betwist door eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen gronden c en h behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
9. Eiser voert verder aan dat de maatregel onevenredig bezwarend is en dat deze moet worden opgeheven dan wel moet onderzocht worden of toepassing van een lichter middel mogelijk is. Eiser heeft verslavingsproblematiek, psychische problemen en is getuige geweest van een suïcide in het detentiecentrum. Ook wijst eiser op het rapport van het anti-foltercomité, waar hij in het beroep tegen de vorige maatregel van vreemdelingenbewaring een beroep op heeft gedaan.
10. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. Verweerder heeft de medische situatie van eiser kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. Verweerder heeft verwezen naar de verklaringen van betrokkene tijdens het gehoor en heeft overwogen dat eiser een intake krijgt, waarbij de medische dienst zal beoordeling in hoeverre eiser zorg nodig heeft. Verder kan van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum [plaats] worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Tot slot is ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken voor eiser.
Ambtshalve toets
11. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:885) en 12 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2083).
4.Zaaknummer NL26.35343, rechtsoverweging 3.
5.Uitspraak van 11 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3508), rechtsoverweging 3.3.3.