ECLI:NL:RBDHA:2026:19389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37249
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico en non-refoulement toets

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 2 juli 2026. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken, met name vanwege het ontbreken van geldige reisdocumenten en het feit dat eiser zich enige tijd aan toezicht heeft onttrokken.

Eiser betwist dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, omdat hij als minderjarige zonder documenten naar Nederland is gekomen en het verkrijgen van documenten onmogelijk is. De rechtbank oordeelt echter dat de gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van identificerende documenten en het onderduikrisico, feitelijk juist zijn en voldoende grond bieden voor de maatregel.

Daarnaast heeft de rechtbank de non-refoulement toets beoordeeld. Verweerder heeft een beoordeling gemaakt dat uitzetting niet in strijd is met het verbod op terugkeer naar een onveilig land. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die is afgewezen en heeft geen nieuwe feiten aangevoerd die het verbod op terugkeer rechtvaardigen.

De rechtbank acht de inspanningen van de Nederlandse overheid om terugkeer naar Somalië mogelijk te maken voldoende, mede gelet op recente succesvolle uitzettingen. Gezien deze omstandigheden is het beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37249

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Willems).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [2] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist in beroep de grond c. Hij stelt dat hij als minderjarige naar Nederland is gekomen, zonder identificerende documenten. Het is echter niet mogelijk voor hem om aan documenten te komen. Hem kan niet tegengeworpen worden dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden a en c terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van deze gronden volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [3] De grond a is feitelijk juist, nu eiser bij zijn inreis in Nederland niet beschikte over een geldig paspoort en geldig visum. Daarnaast blijkt uit het dossier dat hij op 5 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, waarmee hij zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser heeft geen identificerende documenten overgelegd en niet is gebleken van pogingen om deze te verkrijgen. Dit maakt de grond c feitelijk juist. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.

Non-refoulement

5. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Somalië ernstig gevaar zal lopen. Hij is daar al jaren niet geweest, heeft geen contacten aldaar, is gehandicapt en is het mikpunt van geweld.
6. De Afdeling [4] heeft in de uitspraak van 12 februari 2026 [5] uitgelegd wat de gevolgen van het arrest Adrar [6] zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet.
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring onder het kopje ‘non-refoulement’ een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en heeft overwogen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het verbod op refoulement. Daarnaast is het aan eiser om concreet te maken waarom het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan zijn uitzetting. Eiser heeft op 10 juni 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. In deze procedure heeft eiser ruimschoots de mogelijkheid gekregen om zijn vrees bij terugkeer naar Somalië naar voren te brengen. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 28 juni 2026. Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden sindsdien.
Zicht op uitzetting
8. Eiser betwist dat er een verbetering is van de terugkeersamenwerking met de Somalische autoriteiten. Verweerder stelt dat er bij vier Somalische vreemdelingen gedwongen terugkeer is gerealiseerd, maar eiser stelt dat dit vrij weinig uitzettingen zijn. Hij meent daarom dat gedwongen terugkeer naar Somalië niet mogelijk is.
9. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar het standpunt zoals ingenomen in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 2 juni 2026. [7] Hieruit blijkt dat er is gewerkt aan de betrekkingen met de Somalische autoriteiten, in partnerschap met Bureau Internationale Migratie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze inspanningen hebben ertoe geleid dat er in augustus 2025 één lp is afgegeven en in 2026 tot nu toe drie lp’s zijn afgegeven. Deze lp’s hebben allemaal tot uitzetting naar Somalië geleid. Daarbij is verder toegelicht dat dit ging om uitzetting vanuit strafdetentie en dat het ging om niet-meewerkende personen. Gelet op de vier recente succesvolle uitzettingen van niet-meewerkende vreemdelingen naar Somalië, is de rechtbank van oordeel dat in zijn algemeenheid het zicht op uitzetting naar Somalië niet ontbreekt.
Ambtshalve toets
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Op grond van artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ECLI:EU:C:2025:647.