ECLI:NL:RBDHA:2026:19390
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder redelijk vooruitzicht op uitzetting
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is sinds 21 april 2026 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.
De rechtbank heeft eerder op 8 juni 2026 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode vanaf 5 juni 2026. Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, mede vanwege vermeende schending van de informatieplicht.
De rechtbank constateert dat de situatie sinds de eerdere uitspraak niet zodanig is veranderd dat het beroep gegrond kan worden verklaard. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder actief blijft in de uitzettingsprocedure en dat eiser meerdere vertrekgesprekken heeft gehad. De vermeende schending van de informatieplicht wordt niet vastgesteld, mede omdat eiser de rapportages heeft kunnen inzien en reageren.
De rechtbank ziet geen reden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.