ECLI:NL:RBDHA:2026:19401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL25.38595
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar en dienstweigering

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, verzocht op 12 september 2023 om een verblijfsvergunning asiel. Hij baseerde zijn aanvraag op zijn vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de dienstweigering van de militaire dienstplicht. De minister wees de aanvraag op 24 juli 2025 af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Gülenist door de Turkse autoriteiten zal worden vervolgd. Hoewel zijn familieleden betrokken zijn bij de Gülenbeweging en sommigen strafrechtelijk zijn vervolgd, ontbreken concrete aanwijzingen dat eiser zelf in negatieve aandacht staat. Ook het vermeende incident van mishandeling tijdens een gevangenisbezoek is onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de dienstweigering stelt de rechtbank vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om op grond daarvan als vluchteling te worden erkend. Er is geen bewijs dat dienstweigering leidt tot disproportionele of discriminatoire bestraffing. Daarnaast faalt het beroep op een afgeleide verblijfsvergunning en op artikel 8 EVRM Pro wegens het ontbreken van noodzakelijke afhankelijkheid.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar en dienstweigering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38595

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Muijlkens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 24 juli 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Ileri als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1999 is geboren. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn familie aanhangers van de Gülenbeweging zijn. Eiser heeft op jonge leeftijd bijlessen gehad op
dershanes, werd gehuisvest via de Gülenbeweging en heeft daarnaast
sohbetsbijgewoond. Na de couppoging in 2016 zijn twee van zijn zussen strafrechtelijk vervolgd vanwege hun activiteiten. Ook zijn eisers zwager en vader opgeroepen om te verschijnen. Indien hij terug zou moeten keren naar Turkije vreest hij ook opgepakt worden vanwege zijn activiteiten en banden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. deelname aan Gülenactiviteiten in Turkije;
3. militaire dienstplicht.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat alle drie de aangevoerde asielmotieven geloofwaardig zijn. Toch is eiser geen vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en loopt hij bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico op ernstige schade. Niet aannemelijk is dat eiser, ondanks zijn activiteiten voor de Gülenbeweging, als Gülenist wordt of zal worden gezien door de Turkse autoriteiten en daarom te vrezen heeft voor vervolging. Verder is het weigeren van de militaire dienst op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat eiser vluchteling is. Om te kunnen beoordelen of dienstweigering tot vluchtelingschap leidt, is een aantal voorwaarden opgesteld. Eiser voldoet niet aan die voorwaarden.
Gülenactiviteiten
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij zijn vrees vanwege zijn Gülenactiviteiten niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser wijst op de activiteiten die hij heeft verricht, het versturen van geld aan mensen uit de Gülenbeweging, het bezoeken van familieleden die vanwege hun betrokkenheid veroordeeld zijn tot lange gevangenisstraffen en het actief deelnemen aan activiteiten en bijeenkomsten in Turkije. Daarnaast stelt eiser dat hij zijn activiteiten voor de beweging in Nederland heeft voortgezet. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser twee verklaringen overgelegd. Hij stelt dat als deze omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, duidelijk is dat er sprake is van een diepgewortelde politieke overtuiging. Eiser heeft verder onder andere verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2026. [1]
5.1.
De rechtbank overweegt dat de minister aan zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Gülenist zal worden gezien, ten grondslag heeft mogen leggen dat eiser zijn vrees heeft gebaseerd op vermoedens, en dat er geen concrete indicaties zijn dat hij vanwege zijn activiteiten in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten. De minister heeft ook mogen betrekken dat eiser, ondanks zijn activiteiten, in 2018 een identiteitskaart en paspoort heeft verkregen en van 2016 tot 2023 zonder problemen in Turkije heeft gewoond en daarbij meerdere keren op legale wijze heeft kunnen in- en uitreizen. Daarnaast blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Turkije (AAB) van 2025 dat met name Gülenisten in het justitiële en veiligheidsapparaat en familieleden van hooggeplaatste Gülenisten in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten stonden. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat zijn familie als hooggeplaatste Gülenisten gezien (moeten) worden en dat er concrete indicaties zijn dat hij in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten.
5.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gewezen op een verklaring van eiser waaruit zou blijken dat eiser bij een bezoek aan zijn zus in de gevangenis zou zijn mishandeld. Eiser stelt dat de minister deze mishandeling ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van zijn vrees. De rechtbank stelt vast dat hierover op pagina 15 van het verslag van nader gehoor het volgende is weergegeven:
“Hebt u persoonlijk al problemen ondervonden vanwege uw betrokkenheid bij de Gülen-beweging?
[…] Toen ik mijn zus [naam] in de gevangenis bezocht, werd ik door de bewakers vernederd en beledigd. Dit kan men ook mishandeling noemen.
U verklaart dat familieleden problemen hebben ondervonden. Hebt u wel eens persoonlijk problemen ondervonden door de problemen van uw familieleden?
Toen ik mijn zus [naam] ging bezoeken, werd ik blootgesteld aan mishandelingen. […]
Bedoelt u met mishandelingen wat u eerder vertelde over de vernedering en belediging?
Ik begrijp de vraag niet.
Opmerking rapporteur: ik herhaal de vraag en licht deze toe.
Opmerking rapporteur: dhr. [eiser] wordt emotioneel en kijkt stil voor
zich uit.
Op dit moment komt bij mij geen ander voorbeeld op. Als ik terug denk aan die periode, het waren zulke zware tijden. Dan blijf ik mij afvragen hoe ik dat allemaal heb kunnen meemaken.
Hebt u persoonlijk problemen ondervonden vanuit de zijde van de autoriteiten vanwege uw betrokkenheid bij de Gülen-beweging?
Ik kan het mij niet herinneren, maar ik denk dat ik geen problemen heb ondervonden.”
De rechtbank constateert dat eiser dus niet heeft verklaard dat hij fysiek werd mishandeld. Dat eiser bij het bezoek aan zijn zus zou zijn beledigd en vernederd, is onvoldoende om te concluderen dat hij daarom een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.
5.3.
Gelet op de in overweging 5.1 genoemde omstandigheden heeft de minister ook mogen concluderen dat het gegeven dat familieleden van eiser problemen hebben (gehad) vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging, onvoldoende is om aannemelijk te achten dat ook eiser problemen zal krijgen. Ter zitting is ook ter sprake gekomen dat de zus van eiser, [naam] , een klacht heeft lopen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en dat het EHRM vragen heeft gesteld aan de Turkse autoriteiten. De gemachtigde van eiser heeft verzocht het onderzoek te schorsen zodat de stukken daarover alsnog kunnen worden ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te schorsen en ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. De rechtbank betrekt hierbij dat dit punt ter zitting voor het eerst is aangevoerd en dat de stukken uitsluitend betrekking hebben op de zus van eiser en niet op eiser zelf.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Militaire dienstplicht
6. Eiser voert verder aan dat hij wél te vrezen heeft vanwege het ontduiken van de militaire dienstplicht. Hij stelt onder verwijzing naar het AAB van 2022 dat sprake is van een systematische negatieve behandeling van Gülenisten.
6.1.
De minister heeft, onder verwijzing naar het AAB van 2023 en het AAB van 2025, deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het kader van de dienstplicht of de dienstweigering een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het AAB van 2023 en het AAB van 2025 blijkt dat er geen informatie is gevonden waaruit duidelijk werd dat dienstplichtontduikers en deserteurs onevenredig werden bestraft indien zij een bepaalde etniciteit, religie, politieke overtuiging, seksuele geaardheid en/of genderidentiteit hadden. Verder is niet gebleken dat eiser vanuit diepgewortelde morele of religieuze overtuigingen weigert de dienstplicht te vervullen of dat hij vanwege de dienstweigering een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. De minister heeft eiser dan ook geen verblijfsvergunning hoeven toe te kennen op de grond dat eiser de dienstplicht heeft geweigerd.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Afgeleide verblijfsvergunning en 8 EVRM
7. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning, althans voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege de aanwezigheid van zijn zussen in Nederland.
7.1.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning, omdat hij niet aan de voorwaarden voor een dergelijke vergunning voldoet. Eiser is namelijk niet gelijktijdig of binnen drie maanden na inreis van zijn zussen nagereisd en behoort niet tot één van de drie categorieën genoemd in artikel 29, tweede lid, van de Vw. Ook het beroep van eiser op beschermingswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro slaagt niet, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.