ECLI:NL:RBDHA:2026:19403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
SGR 25/594
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3.1 bestemmingsplanArt. 4.2.1 bestemmingsplanArt. 4.2.3 bestemmingsplanArt. 4.3.2 bestemmingsplanArt. 4.3.4 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlening omgevingsvergunning voor bouw foliekas binnen bestemmingsplan

De zaak betreft een beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het bouwen van een foliekas achter een adres in de gemeente. Het college verleende de vergunning ondanks dat de kas op 2,5 meter van de sloot staat, terwijl het bestemmingsplan een afstand van 3 meter voorschrijft. Het college maakte gebruik van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid en ontving positieve adviezen van het hoogheemraadschap en een landschapsadviesbureau.

Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder strijd met het bestemmingsplan, onvoldoende overleg met omwonenden, onvolledig advies over landschappelijke inpassing, aantasting van het woon- en leefklimaat en het niet afwachten van een watervergunning. De rechtbank oordeelde dat de bouw binnen het bestemmingsplan is toegestaan, dat de afwijking van de afstand tot water gerechtvaardigd is, en dat de adviezen voldoende zijn. Ook het ontbreken van een onderhoudsplicht en het ontbreken van overleg met omwonenden leiden niet tot vernietiging.

De rechtbank verwierp het betoog over alternatieve locaties omdat het college op de ingediende aanvraag moet beslissen. De Omgevingsvisie is geen beoordelingsregel en kan het besluit niet schaden. Het beroep is ongegrond verklaard, het griffierecht blijft voor rekening van eiser en er is geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de foliekas wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/594

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats],

(gemachtigde: mr. S. van den Nieuwenhuijzen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghoudster] B.V.uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het bouwen van een foliekas achter [adres 1] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de verlening van de vergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 16 april 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een foliekas achter [adres 1] in [plaats]. Bij besluit van 29 juli 2024 heeft het college de gevraagde vergunning verleend.
2.1.
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij het verlenen van de vergunning gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door [naam 1]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Voor de bouw van de foliekas is eerder een omgevingsvergunning verleend, waarna de kas werd gebouwd. Tegen de bouw van de kas heeft het college op 8 april 2024 handhavend opgetreden, omdat in afwijking van de omgevingsvergunning werd gebouwd. De foliekas staat namelijk op 2,50 meter afstand van de sloot, terwijl dit op grond van de omgevingsvergunning 3 meter moest zijn.
3.1.
Met de aanvraag is beoogd de situatie te legaliseren. Vergunninghoudster heeft voor deze optie gekozen omdat het volgens haar vanwege de inrichting van de kwekerij niet mogelijk is om de bestaande foliekas in overeenstemming met de eerder verleende vergunning te brengen. Dat is volgens haar het gevolg van de ‘vaste inrichting’ die inhoudt dat de maatvoering van paden en teeltvloeren vast ligt, waarbij een standaardmaatvoering geldt van kassen met een breedte van 26,20 meter.
3.2.
De vergunning is verleend voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het college heeft gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.3.1 van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” om de bouw van de foliekas op 2,5 meter van de sloot mogelijk te maken. Het college is daarmee afgeweken van artikel 4.2.1, onder b, van het bestemmingsplan, dat voorschrijft dat de afstand van bouwwerken tot de bestemming “Water” minimaal 3 meter bedraagt. Volgens het college wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.3.1 van het bestemmingsplan. Uit een positief advies van 8 juli 2024 van het hoogheemraadschap van Rijnland (het hoogheemraadschap) volgt dat er geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de belangen van de watergang c.q. waterhuishouding. Ook ontstaat er geen onevenredige aantasting van landschaps- en/of natuurwaarden, zo volgt uit het positieve advies van 15 juli 2024 van ‘Dorp, Stad en Land’. In dit advies wordt akkoord gegaan met het landschappelijk inpassingsplan van 11 juli 2024 van ‘Watersnip Advies’ (Watersnip).
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het omgevingsplan van de [gemeente] (het Omgevingsplan).
4.1.
Op grond van de artikelen 22.1 en 22.2, eerste lid, van de Ow in samenhang bezien met artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bestaat vanaf 1 januari 2024 het Omgevingsplan onder meer uit een tijdelijk deel (het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege). Naast onder meer de in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet genoemde besluiten, zoals geldende bestemmingsplannen, bestaat dit tijdelijk deel ook uit de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).
4.2.
Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt daarom nu onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan rust, voor zover hier van belang, op de locatie de bestemming “Agrarisch-Sierteelt”.
4.3.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan.
4.4.
Op grond van artikel 22.26 van het Omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
4.5.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels, waaraan de aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden getoetst. Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
4.6.
In artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
4.7.
In artikel 22.281 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.
4.8.
Andere voor deze uitspraak van belang zijnde wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Staat het bestemmingsplan de bouw van de foliekas op deze locatie toe?
5. Eiser betoogt dat op de locatie niet 10.000 m² extra oppervlakte aan kassen kan worden gebouwd zoals bedoeld in artikel 4.2.3, onder e, van het bestemmingsplan. Eiser voert aan dat in de tabel behorende bij het artikellid het bedrijf [bedrijfsnaam] wordt genoemd. De omgevingsvergunning is echter niet aan [bedrijfsnaam] verleend en glasrechten zijn niet overdraagbaar. Bovendien bestaat huisnummer [huisnummer] niet meer.
5.1.
Op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder d, bedraagt de maximale oppervlakte aan kassen per bedrijf 3.000 m2, dan wel het bestaande oppervlak indien dat hoger is. Op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder e, bedraagt – in uitzondering op het bepaalde in lid d – het oppervlak aan kassen, op onderstaande bouwpercelen, maximaal de bestaande oppervlakte vermeerderd met de in onderstaande tabel opgenomen oppervlakten. In de tabel is, voor zover hier van belang, vermeld “Naam: [bedrijfsnaam]”, “Bouwperceel ter plaatse van de locatie: [adres 2]” en “Maximaal aan oppervlak toe te voegen kassen in m2: 10.000”.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak [1] zijn de op de verbeelding (plankaart) aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank bepaalt artikel 4.2.3, aanhef en onder e, niet dat de (aanvullende) oppervlakte aan kassen die in de tabel is opgenomen, uitsluitend mag worden benut door het in de tabel genoemde bedrijf, in dit geval “[bedrijfsnaam]”. De rechtbank volgt dus het standpunt van het college dat bouwtitel locatiegebonden is en niet is verbonden aan een (rechts)persoon. De tabel voorziet daarmee in een aanduiding van locaties waar een grotere oppervlakte aan kassen mag worden gebouwd. Omdat de planregel niet onduidelijk is, wordt voor de uitleg daarvan niet toegekomen aan de plantoelichting. Aan wat eiser aan de plantoelichting ontleent over glasrechten, sanering en specifieke bebouwingsmogelijkheden per bedrijf komt daarom geen betekenis toe.
5.4.
De omstandigheid dat huisnummer [huisnummer] is vervallen leidt er, anders dan eiser betoogt, niet toe dat de bouwmogelijkheid in artikel 4.2.3, aanhef en onder e, is komen te vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank is het ondanks het vervallen van huisnummer [huisnummer] voldoende duidelijk dat de bebouwingsmogelijkheid van 10.000 m2 geldt voor het perceel achter [adres 1]. De beroepsgrond slaagt niet.
5.5.
Voor zover eiser betoogt dat het college had moeten toetsen aan wat in artikel 4.3.4, aanhef en onder g, is bepaald over landschappelijke inpassing, treft dit geen doel. Deze planregel is van toepassing als wordt afgeweken van het maximaal oppervlak aan kassen dat op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder d, van de planregels is toegestaan. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, omdat het college de omgevingsvergunning heeft verleend op basis van de uitzondering in artikel 4.2.3, aanhef en onder, e, van de planregels.
Is sprake van strijd met de planregels over bouwen binnen het bouwvlak?
6. Eiser betoogt dat de foliekas niet binnen het bouwvlak is gebouwd. De foliekas overschrijdt het bouwvlak aan de noordzijde en aan de zuidzijde is nog ruimte over in het bouwvlak. Daarom is volgens eiser ten onrechte niet getoetst aan artikel 4.3.2, aanhef en onder d, van de planregels, op grond waarvan het woon- en leefklimaat van omliggende woningen niet mag worden aangetast.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de foliekas volgens de bouwregels van het bestemmingsplan is gebouwd. De enige afwijking betreft het bouwen op kortere afstand dan 3 meter tot de bestemming “Water”.
6.2.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder a, van de planregels kassen binnen en aangrenzend aan het bouwvlak mogen worden gebouwd. Daarbij wordt, anders dan eiser naar voren heeft gebracht, niet de eis gesteld dat ruimte binnen een bouwvlak eerst moet zijn bebouwd voordat aangrenzend aan het bouwvlak mag worden gebouwd. Artikel 4.3.2 heeft betrekking op andere bebouwing dan kassen. Van een met het bestemmingsplan strijdige overschrijding van het bouwvlak is gelet op het voorgaande geen sprake. Het college heeft daarom op goede gronden niet getoetst aan het bepaalde in artikel 4.3.2, aanhef en onder d, van de planregels.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had de watervergunning moeten worden afgewacht?
7. Eiser betoogt dat het college de omgevingsvergunning (nog) niet had kunnen verlenen. Volgens eiser had het college het besluit van het hoogheemraadschap moeten afwachten, voordat het een besluit nam over de omgevingsvergunning.
7.1.
Het college betoogt dat de benodigde watervergunning buiten het bestek van de beoordeling van de aanvraag voor het bouwen van de foliekas valt.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat in artikel 5.7, eerste lid, van de Ow, als hoofdregel is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking heeft. De in artikel 5.7 van de Ow opgenomen uitzondering die betrekking heeft op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit doet zich niet voor.
Het advies van Watersnip
8. Eiser betoogt dat het advies van Watersnip [2] van 11 juli 2024 onvolledig en onzorgvuldig is. Eiser mist de lengte van de 12 verlagingen en de afmetingen van bakken met beplanting. Eiser vreest dat de constructie na tien jaar niet meer voldoet en daarom had moeten worden geadviseerd om een onderhoudsplicht in de vergunning op te nemen. Eiser voert verder aan dat er een zeer smalle watergang overblijft, omdat vergunninghoudster de beschoeiing een meter de sloot in heeft geplaatst en de bakken ervoor komen te staan. Volgens eiser moet een natuurvriendelijke beschoeiing worden gerealiseerd, omdat het hoogheemraadschap dit adviseert en dit uit de Omgevingsvisie [3] volgt.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het advies van 11 juli 2024 van Watersnip en het advies van 15 juli 2024 van ‘Dorp Stad en Land’ de landschappelijke inpassing van de kas borgen en onderdeel zijn van het besluit. Het college verwijst ook naar het advies van het hoogheemraadschap van 4 december 2024, in aanvulling op het advies van Watersnip van 11 juli 2024. Volgens het college is gelet daarop voldaan aan de in artikel 4.3.1 van de planregels genoemde voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van de afstand van 3 meter tot de bestemming “Water”.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat het advies van Watersnip ten grondslag ligt aan het standpunt van het college dat in een natuurvriendelijke oever wordt voorzien. In het advies van Watersnip wordt geadviseerd om op 12 plaatsen een 30 cm lange verlaging van het beschoeiingsschot aan te brengen, door het inzagen van het schot. Het doel hiervan is het creëren van uitstapmogelijkheden voor verschillende dieren. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom het advies van Watersnip op dit punt onvolledig is en evenmin waarom met uitvoering van de voorgestelde maatregelen geen natuurvriendelijke oever kan worden gecreëerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd met betrekking tot de aan een natuurvriendelijke oever te stellen eisen.
8.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen over het advies van Watersnip, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het advies van het hoogheemraadschap. De rechtbank volgt het college daarom in het standpunt dat overeenkomstig de adviezen van Watersnip en het hoogheemraadschap wordt voorzien in een natuurvriendelijke beschoeiing en in een afdoende landschappelijke inpassing, zodat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4.3.1 van de planregels.
8.4.
Verder ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college een onderhoudsplicht voor de beschoeiing had moeten verbinden aan de omgevingsvergunning. Eiser heeft niet concreet gemaakt dat dit noodzakelijk is, in aanvulling op bestaande verplichtingen die rusten op de eigenaar van de beschoeiing.
8.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Toetsing aan de welstandsnota
9. Eiser betoogt dat [straatnaam 1] een bijzonder welstandgebied is en dat het college het bouwplan aan de excessenregeling uit de welstandsnota had moeten toetsen. Eiser voert aan dat sprake is van armoedig materiaalgebruik, omdat de kas aan de buitenkant is bekleed met plasticfolie en is afgewerkt met een spiegelende aluminiumlijst. Daarnaast voert eiser aan dat de kas een te grove inbreuk vormt op het historische veenweidegebied van de [polder]. Verder staat de foliekas midden in een woonwijk binnen de bebouwde kom en op diverse punten is er vanaf de openbare weg zicht op de foliekas.
9.1.
De rechtbank volgt het college erin dat ter plaatse van het bouwplan geen welstandsregime geldt. Afgaande op de bij de welstandsnota behorende kaart, zijn onder meer percelen rondom [straatnaam 1] rood aangeduid als een gebied waar een bijzonder welstandsregime geldt. Het perceel waarop de foliekas is gebouwd valt daar echter niet onder, maar is met geel aangeduid als een welstandsvrij gebied. Dat de in de welstandsnota opgenomen excessenregeling van toepassing is binnen een welstandsvrij gebied, brengt niet mee dat het bouwplan alsnog voorafgaand had moeten worden getoetst aan de excessenregeling. [4] Voor zover eiser betoogt dat aanwijzing als welstandsvrij gebied zich niet verhoudt met de Omgevingsvisie, kan dit niet leiden tot het oordeel dat alsnog voorafgaand aan de welstand had moeten worden getoetst. De Omgevingsvisie is geen onderdeel van de beoordelingsregels waaraan een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit moet worden getoetst en kan er ook niet afdoen dat het college de aanvraag op grond van de daarvoor geldende beoordelingsregels moet beoordelen.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Aantasting woon- en leefklimaat
10. Eiser betoogt dat zijn woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Tussen zijn woning en een natuurgebied komt met de foliekas een plastic wand van 168 meter lang en 7,4 meter hoog te staan. Daarnaast leidt het foliedak van de kas tot lichthinder, vanwege reflectie van zonlicht.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat reflectie van licht geen onderdeel uitmaakt van de beoordelingsregels van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Voor zover dit aspect wel moet worden beoordeeld, stelt het college zich op het standpunt dat het verschil tussen de rechtstreeks op grond van de bouwregels toegestane positie van de kas en de aangevraagde positie dermate gering is, dat hierdoor geen sprake kan zijn van een merkbare verandering.
10.2.
De rechtbank overweegt dat het college in geval van toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit volgt uit artikel 22.281 van het Omgevingsplan. [5] Beoordeling van eventuele onevenredige gevolgen van de reflectie van zonlicht voor het woon- en leefklimaat van eiser dient in dat kader aan de orde te komen.
10.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hiervoor bedoelde afwijkingsbevoegdheid beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
10.4.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college zich op het standpunt stellen dat het bouwen van de foliekas op een afstand van ca 2,5 meter in plaats van 3 meter afstand van de bestemming “Water”, mede gelet op de afstand van de erfgrens van het perceel tot de woning van eiser (tussen de 110 en 130 meter), niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser. De rechtbank kan het college erin volgen dat dit geringe afstandsverschil geen noemenswaardige invloed zal hebben op de reflectie van zonlicht. De verwijzing van eiser naar de Omgevingsvisie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In de Omgevingsvisie staat onder meer dat lichthinder een belangrijk aandachtspunt is en dat het streven is om lichthinder af te laten nemen in woongebieden. Zoals hiervoor overwogen behoort de Omgevingsvisie niet tot de beoordelingsregels waaraan de aanvraag moet worden getoetst. Verder is de rechtbank van oordeel dat wat is opgenomen in de Omgevingsvisie niet zodanig concreet is met betrekking tot lichthinder, dat het college op grond daarvan had moeten concluderen dat verlening van de omgevingsvergunning niet aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat geldt temeer omdat het bestemmingsplan op deze plek voorziet in de mogelijkheid van bouw van kassen en omdat het perceel, naar eiser niet heeft betwist, onderdeel uitmaakt van een sierteeltconcentratiegebied.
10.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Overleg met omwonenden
11. Eiser betoogt dat er ten onrechte geen overleg is geweest met de omwonenden naar aanleiding van de aanvraag van de omgevingsvergunning.
11.1.
De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat volgens eiser niet is voldaan aan de vereisten van participatie onder de Ow. De rechtbank stelt vast dat geen buitenplanse omgevingsactiviteit wordt vergund met het bestreden besluit, zodat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een door de gemeenteraad aangewezen geval waarin participatie verplicht is. Uit artikel 16.55, zesde lid, van de Ow, in samenhang gelezen met artikel 7.4 van de Omgevingsregeling (Or), volgt wel dat informatie over participatie een indieningsvereiste is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Op grond van artikel 7.4, eerste lid, van de Or is de aanvrager verplicht om bij de aanvraag aan te geven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. In het tweede lid van artikel 7.4 van de Or, is bepaald dat, als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, de aanvrager bij de aanvraag gegevens verstrekte over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
11.2.
In het aanvraagformulier heeft vergunninghoudster de vraag of er met anderen contact is geweest over haar plannen met “ja” beantwoord. Daarmee is aan het in artikel 7.4, eerste lid, van de Or opgenomen indieningsvereiste voldaan. Bij de vragen die betrekking op het tweede lid van dit artikel heeft vergunninghoudster “geen openbare informatie” ingevuld. In het dossier bevindt zich hierover geen nadere informatie, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen of en welke informatie met het college is gedeeld over de wijze waarop anderen bij de aanvraag zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Voor zover daarmee niet aan het in tweede lid van artikel 7.4 van de Or opgenomen indieningsvereiste zou zijn voldaan, betekent dit niet dat de omgevingsvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of bij een aanvraag voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college over onvoldoende informatie beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, als in de aanvraag was aangegeven dat geen participatie heeft plaatsgevonden, het college niet om die reden kon besluiten de aanvraag niet te behandelen of de omgevingsvergunning te weigeren. [6]
11.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Alternatieve locatie voor de foliekas
12. Eiser draagt als alternatief aan dat de foliekas achter de nieuw te bouwen bedrijfshal met kantoor aan [adres 3] wordt gebouwd. De foliekas wordt in dat geval 60 meter verder van de woning van eiser gebouwd, achter een elzenhaag. Het bouwen van foliekassen naast elkaar geeft een rustiger beeld en zo blijft het historisch landschap van [polder] het meest intact, aldus eiser. Eiser wijst erop dat het bestemmingsplan tot doel heeft om de kassen te verwijderen die in de polder verspreid staan en een rommelig beeld geven in het historische landschap van [polder].
12.1.
De rechtbank overweegt dat het college op grond van vaste rechtspraak bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. [7] Dat betekent onder meer dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Verder is het aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. [8]
12.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de bouw van de foliekas op zichzelf aanvaardbaar kunnen achten en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand duidelijk is dat het door hem genoemde alternatief een gelijkwaardig resultaat zou opleveren met aanmerkelijk minder bezwaren.
12.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
griffier
rechter
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage – voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Omgevingswet
Artikel 5.7. (aanvraag los of gelijktijdig)
1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben.
2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4.
(..)
4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als:
a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of
b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is.
(..)
Omgevingsplan [gemeente]
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Bestemmingsplan [bestemmingsplan]
Artikel 4 Agrarisch Pro – Sierteelt
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch - Sierteelt' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. sierteeltbedrijven met de daarbij behorende kassen en/of teeltondersteunende voorzieningen, alsmede hulpgebouwen, stookhuizen en/of ketelhuizen, warmteopslagtanks en waterbassins;
(..)
i. water.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
a. Op of in de gronden mogen uitsluitend gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming.
b. De afstand van bouwwerken tot de bestemming ‘Water’ bedraagt ten minste 3 m¹.
c. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing' is geen bebouwing toegestaan.
d. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw' is een bijgebouw toegestaan.
4.2.2
Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a. bedrijfsgebouwen alsmede hulpgebouwen, stookhuizen en/of ketelhuizen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
c. de goothoogte bedraagt maximaal 8 m¹.
4.2.3
Kassen
Voor het bouwen van kassen gelden de volgende bepalingen:
a. kassen dienen binnen en aangrenzend aan het bouwvlak te worden gebouwd;
b. de goothoogte bedraagt maximaal 6,5 m¹;
c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 8,5 m¹;
d. de maximale oppervlakte aan kassen per bedrijf bedraagt 3000 m², dan wel het bestaande oppervlak indien dat hoger is;
e. in uitzondering op het bepaalde in lid d bedraagt het oppervlak aan kassen, op onderstaande bouwpercelen, maximaal de bestaande oppervlakte vermeerderd met de in onderstaande tabel opgenomen oppervlakten:
Naam
Bouwperceel ter plaatse van de locatie
Maximaal oppervlak toe te voegen kassen in m2
[bedrijfsnaam]
[adres 2]
10
[naam 2]
achter [adres 4]
3
[naam 3]
[adres 3]
8.805
[naam 4]
achter [adres 5]
12.75
[naam 5]
naast [adres 6]
3
[naam 6]
achter [adres 7]
6.25
(..)
4.3
Afwijken van de bouwregels
4.3.1
Afwijking afstand tot bestemming 'Water'
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.1 b ten behoeve van het verkleinen van de afstand van bouwwerken tot de bestemming ‘Water’, met dien verstande dat:
daardoor geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de belangen van de watergang c.q. waterhuishouding;
vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheersinstantie van de watergang;
daardoor hetzij direct hetzij indirect geen onevenredige aantasting van landschaps- en/of natuurwaarden ontstaat.
4.3.4
Afwijking maximaal oppervlak kassen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.3 d ten behoeve van het vergroten van het oppervlak aan kassen tot ten hoogste 1/3 van het netto aaneengesloten bedrijfsoppervlak, met dien verstande dat:
(..)
g. er dient sprake te zijn van voldoende landschappelijke inpassing, waarbij de toename aan kassen afdoende wordt gecompenseerd en niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de in het gebied voorkomende natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
(..)

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682, onder 3.1.
2.Versterking landschappelijke en ecologische inpassing nieuwe foliekas [naam 3] aan [straatnaam 2] [plaats].
3.Omgevingsvisie [plaats] 2050, vastgesteld op 12 oktober 2022.
4.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:419, onder 5.1.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, onder 14.
6.Zie de Nota van Toelichting bij de Omgevingsregeling, Staatscourant 2019, nr. 56288, 22 november 2019, p. 444.
7.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559, onder 7.3.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1539.