ECLI:NL:RBDHA:2026:19409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
09/755012-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de kansspelenArt. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 22c Wetboek van StrafrechtArt. 22d Wetboek van StrafrechtArt. 23 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor illegaal online gokken en witwassen met taakstraf en geldboete

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk gelegenheid bieden tot online gokken via een website zonder vergunning en voor witwassen van geld afkomstig uit dit misdrijf. De feiten vonden plaats tussen april 2019 en september 2020. Verdachte was eigenaar van de gokwebsite en wist van het systeem van Nederlandse agenten die het gokken faciliteerden.

De verdediging voerde aan dat er sprake was van een gedoogbeleid, waardoor vervolging niet ontvankelijk zou moeten zijn, maar de rechtbank verwierp dit verweer op basis van verklaringen en jurisprudentie. Ook werd verdachte vrijgesproken van medeplichtigheid aan afpersing wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank oordeelde dat verdachte en zijn medeplegers een gewoonte hadden gemaakt van het illegaal aanbieden van online kansspelen en dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit een eigen misdrijf. De straf bestaat uit een taakstraf van 120 uur en een geldboete van €100.000,-, met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en een geldboete van €100.000,- voor illegaal online gokken en witwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/755012-21
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 januari 2025, 15 januari 2026 (beide regie) en 1 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Admiraal, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 1 dient te worden verklaard. Hiertoe is, overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er in de tenlastegelegde periode in Nederland een ‘gedoogpraktijk’ gold ten aanzien van aanbieders van online kansspelen en dat om die reden de verdachte erop mocht vertrouwen dat tegen hem niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden opgetreden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, omdat geen sprake was van een officieel gedoogbeleid.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of de voortzetting van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een behoorlijke procesorde.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel niet worden ontleend.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is allereerst van oordeel dat niet is gebleken dat de Kansspelautoriteit (hierna: Ksa) een gedoogbeleid ten aanzien van het aanbieden van online kansspelen voerde. In dit kader verwijst de rechtbank naar jurisprudentie van het hof Den Bosch (onder meer ECLI:NL:GHSHE:2024:4129) en naar de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1297, r.o. 5.32 en 5.33).
Bovendien is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het openbaar ministerie, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging zou uitblijven.
Het vorenstaande vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in de bij de pleitaantekeningen van de verdediging gevoegde verklaring van de getuige mr. [naam 1] , van 14 oktober 2010 tot 9 maart 2015 staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, belast met onder meer de kansspelportefeuille. Uit deze verklaring die op 27 januari 2022 is afgelegd in het kader van een strafrechtelijke procedure voor het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch blijkt – samengevat – het volgende.
Vanaf 2011 vonden gesprekken plaats tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in het wetsvoorstel Kansspelen op afstand.
Tijdens die gesprekken is aan de orde gekomen dat als aanbieders van kansspelen zich tijdens de transitiefase naar de inwerkingtreding van de Wet op de kansspelen zouden houden aan de voorwaarden dat geen kansspelen zouden worden aangeboden in de Nederlandse taal en er geen (grootschalige) reclame zou worden gemaakt voor die kansspelen, zij na de inwerkingtreding van die wet zouden kunnen meedingen naar een vergunning. Tegen aanbieders van online kansspelen die zich aan deze voorwaarden hielden zou door het (Bureau Kansspelen van het) Ministerie van Veiligheid en Justitie terughoudend bestuurlijk worden gehandhaafd.
Na de instelling van de Ksa op 1 april 2012 zijn er prioriteringscriteria opgesteld. Naast de twee genoemde voorwaarden kwam een derde: de websites van de op internet aangeboden kansspelen mochten niet de extensie ‘.nl’ hebben. Aanbieders van online kansspelen die zich conformeerden aan deze criteria zouden geen prioriteit krijgen bij de bestuurlijke handhaving door de Ksa. Het primaat van de handhaving lag namelijk bij de Ksa.
Het openbaar ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het openbaar ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het openbaar ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.
Los van het feit dat gesteld noch gebleken is dat [website] (opgericht in 2017) zich op enig moment heeft gemeld bij en gesprekken heeft gevoerd met de overheid of de Ksa, blijkt uit deze verklaring dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het openbaar ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria. Het is dan ook niet relevant dat de website [website] , zoals aangevoerd, aan de prioriteringscriteria van de Ksa voldeed.
Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
De persoonlijke opvatting van de getuige [naam 1] , dat aanbieders van online kansspelen die zich tijdens de transitiefase hielden aan de voorwaarden en later aan de prioriteringscriteria er op basis van de gesprekken, waarvan in deze zaak zoals reeds overwogen niet is gebleken, op mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd, maakt dit oordeel niet anders.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarbij plaats is voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het vertrouwensbeginsel. Het daartoe strekkende verweer wordt dan ook verworpen (vgl. ECLI:NL:GHSHE:2024:2268).
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en onder feit 2 primair tenlastegelegde.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte en overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen integrale vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
4.3.
Vrijspraken
Feit 2 primair en subsidiair
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van het dossier staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er op
24 september 2019 mensen langs zijn gegaan bij [aangever] (hierna: de aangever) in zijn [horecagelegenheid] in verband met een openstaande schuld in relatie tot [website] . Ook staat op grond van het dossier vast dat daarbij een dreigende sfeer is geschapen, om de aangever ertoe te bewegen zijn schuld te betalen. Vier van de personen die daarbij aanwezig waren, zijn inmiddels veroordeeld voor het medeplegen van afpersing.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan dan wel uitlokking van (primair) afpersing of (subsidiair) dwang. Daarvoor is vereist dat de verdachte tenminste voorwaardelijk opzet op het gronddelict heeft gehad. De rechtbank overweegt dat de feitelijke handelingen in de tenlastelegging allen zien op voornoemde gebeurtenis op 24 september 2019 in [horecagelegenheid]. Op dat moment zou de verdachte dan ook het (voorwaardelijk) opzet moeten hebben gehad op het dreigen met geweld.
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 24 september 2019, voor zijn vertrek naar Dubai , een uitdraai heeft overhandigd aan [medeverdachte 1] , een van de mannen die naar [horecagelegenheid] is gegaan vanwege voornoemde ‘incasso’. De uitdraai betrof een overzicht van de schuld van de aangever en daarmee zou de verdachte inlichtingen aan [medeverdachte 1] hebben verschaft die dienstig waren aan het incasseren van de schuld van de aangever.
De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op dat moment het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het dreigen met geweld door [medeverdachte 1] en/of anderen. Het enkele feit dat de verdachte voornoemd overzicht aan [medeverdachte 1] heeft verschaft, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt eveneens voor de uitlatingen die de verdachte op 1 april 2020, dus vijf maanden later, in EncroChat-berichten doet tegen [medeverdachte 1] over “stalken” en “druk zetten”, omdat hij geld nodig heeft.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan dan wel uitlokking van afpersing of dwang. Dat maakt dat de verdachte van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Feit 3
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder feit
3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.
4.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
4.5.
Bewijsoverwegingen
Feit 1
Juridisch kader
Op grond van artikel 1 van Pro de Wet op de kansspelen is het verboden om gelegenheid te geven mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daar een vergunning in Nederland voor is afgegeven. In het Ladbrokes-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2005:AR4841, r.o. 3.3.3) heeft hij bepaald dat eveneens sprake is van in Nederland gelegenheid geven tot kansspelen indien geen poging is gedaan om de website in Nederland ontoegankelijk te maken en als de website “blijkens haar inrichting mede is gericht op potentiële deelnemers in Nederland”.
[website] mede gericht op Nederland?
[website] betrof een website waar op verschillende sporten, games en in het onlinecasino kon worden gegokt. Het is daarmee een kansspel in de zin van artikel 1 van Pro de Wet op de kansspelen. Een vergunning in Nederland was hiervoor niet afgegeven.
De website werd beheerd door [vennootschap 1] Ltd te [land 1] en [vennootschap 2] NV te [land 2] en op [land 2] was een vergunning afgegeven om de site onder meer daar aan te bieden. De verdachte was de eigenaar van voornoemde buitenlandse bedrijven en daarmee ook van [website] . Hoewel de verdachte heeft betoogd dat [website] was gericht op diverse buitenlandse markten waar met een vergunning online mocht worden gegokt en Nederland daar niet bij hoorde, kan de rechtbank de verdachte hierin niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat het doel van [website] mede was gericht op het mogelijk maken van deelname door Nederlandse klanten in Nederland. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat de website toegankelijk was voor Nederlandse gebruikers en dat een Nederlands visitekaartje is gemaakt met een 06-nummer, geen +316-nummer, en met de Nederlandse woorden ‘inlognaam’ en ‘wachtwoord’.
Dat uit het onderzoek door de politie naar de website [website] niet is gebleken of bezoekers zich vanuit Nederland daadwerkelijk als spelers konden registreren op de website en een eigen account konden krijgen en dat uit de algemene voorwaarden van [website] blijkt dat een bezoeker die een account wil verkrijgen moet garanderen dat hij/zij niet woonachtig is in Nederland, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het hiervoor genoemde doel. Immers blijkt uit het navolgende dat het in de praktijk mogelijk was om – via tussenkomst van agenten – in Nederland deel te nemen aan online kansspelen via [website] zonder dat een individuele speler zich op de site diende te registreren ter verkrijging van een account.
Dat ook daadwerkelijk in Nederland is gespeeld via [website] blijkt onder meer uit de verklaringen van (voornoemde) [aangever] , [naam 2] en [naam 3] . Zij hebben verklaard dat zij in Nederland via tussenkomst van agenten hebben gespeeld of – in het geval van [aangever] – in Nederland gelegenheid hebben geboden om te spelen via [website] . Het geld dat daarbij werd gewonnen of verloren werd ook (contant) in Nederland afgedragen of ontvangen. Er werd dus via Nederlandse agenten gegokt.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er een systeem van Nederlandse agenten was. Uit EncroChat-conversaties tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en tussen de verdachte en [mede-eigenaar 1] blijkt niet alleen dat er geld werd geïnd en dat spelers schulden hadden, maar ook dat de verdachte dit wist en actief bezig was met de administratie daarvan. Dit wordt ondersteund door de notities die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, waarop veel verschillende namen voorkomen met daarachter bedragen. Een deel van die namen en bedragen komen 1-op-1 terug in chats tussen de verdachte en [medeverdachte 1] over verschuldigde bedragen die bij deze partijen moesten worden geïnd. Zo heeft de verdachte het in een chat van 13 augustus 2020 over ‘ [horecagelegenheid] ’, en zegt hij ‘ze zijn weer open. Moeten nog 43000 betalen’. Het bedrag van € 43.000,- in deze chat komt overeen met het bedrag dat in de notities, aangetroffen in de woning van de verdachte, staat vermeld achter ‘ [horecagelegenheid] ’. Opvallend is verder dat een aantal van de namen in de notities Nederlandse plaatsnamen betreffen, zoals Alkmaar en Almere, en meerdere plekken die te linken zijn aan Rotterdam, zoals Rijnhaven, Vuurplaat, Kortenoord en Marconi. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat die schuldenaren zich in Nederland bevonden.
Dat de verdachte – zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard – niet weet waar deze bedragen betrekking op hebben en dat de namen op de notities de (bij)namen van agenten zijn, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Zoals hiervoor overwogen communiceerde de verdachte in de chatgesprekken in elk geval over (een deel van) deze namen en de bijbehorende bedragen komen overeen met de namen en bedragen op de in zijn woning aangetroffen notities. Naar het oordeel van de rechtbank ging het hier evident om uitstaande bedragen van spelers van [website] .
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet alleen wist van het systeem van het gokken in Nederland via agenten maar dat hij, anders dan hij ter terechtzitting heeft verklaard, ook niets heeft gedaan om dat te voorkomen. Integendeel, uit het voorgaande blijkt dat hij er actief aan heeft meegewerkt. Bovendien wist de verdachte dat online gokken in Nederland niet mocht.
Voor zover de raadsman zich heeft beroepen op de overwegingen van het Europese Hof van Justitie in de gevoegde zaken ‘ [zaaknaam 1] ’ en ‘ [zaaknaam 2] ’, is de rechtbank van oordeel dat dit in het licht van de hiervoor door de rechtbank geschetste ‘schaduwpraktijk’ van het gokken via agenten, niet relevant is voor de beoordeling. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [website] zich mede richtte op het aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt.
Medeplegen
De verdachte was de eigenaar van [website] . Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat ook [mede-eigenaar 2] en [mede-eigenaar 1] betrokkenheid hadden bij [website] . Uit OVC-communicatie van [mede-eigenaar 2] blijkt dat zij zich hadden ingekocht in [website] en zich daarmee ook hebben bemoeid. Zo was [mede-eigenaar 2] op de hoogte van de omzet van de website, de werkwijze van het gokken via agenten en de schulden van de spelers. Ook wist hij dat dit in Nederland niet mocht. [mede-eigenaar 2] heeft verklaard dat hij adviezen heeft gegeven over hoe de omzet van [website] kon worden vergroot. Indien de website verkocht zou worden, zou [mede-eigenaar 2] een gedeelte van de winst krijgen.
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat [mede-eigenaar 1] ook als agent voor [website] heeft gewerkt. Hij zorgde er als agent onder andere voor dat het geld werd geïncasseerd en hij was op de hoogte van de tegoeden en schulden van spelers. Hij had hierover zeer regelmatig contact met de verdachte. Aldus bemoeide hij zich actief met [website] .
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [mede-eigenaar 2] en [mede-eigenaar 1] beiden een voldoende intellectuele bijdrage hebben geleverd en dat derhalve sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen en de verdachte bij het aanbieden van online kansspelen via [website] in Nederland.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen in Nederland gelegenheid heeft geboden om online te gokken zonder dat hier een vergunning voor was afgegeven. Gelet op de langere periode waarin dit gebeurde, verklaart de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn medeplegers hier een gewoonte van hebben gemaakt.
Feit 2 meer subsidiair
De rechtbank overweegt als volgt.
Onder feit 2 meer subsidiair is aan de verdachte tenlastegelegd het (medeplegen van) witwassen van geldbedragen van in totaal € 20.000,-, afkomstig uit enig (al dan niet eigen) misdrijf. In zoverre is de tenlastelegging dus ook toegespitst op artikel 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat [aangever] een schuld open had staan bij [website] in verband met het in zijn [horecagelegenheid] illegaal laten gokken via [website] , zijnde de website waar de verdachte middels zijn bedrijven eigenaar van was. Dit maakt dat de schuld van [aangever] ook bij de verdachte openstond. De verdachte was ervan op de hoogte dat online gokken zonder vergunning in Nederland niet was toegestaan. Uit het dossier volgt dat de verdachte contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en [mede-eigenaar 1] over betalingen van ‘ [horecagelegenheid] ’. [aangever] heeft in totaal € 20.000,- afbetaald. Uit het feit dat dit betaalde bedrag in de administratie (de notities) zoals in de woning van de verdachte aangetroffen, is ‘afgeboekt’ (uit de notities blijkt dat het verschuldigd bedrag van € 63.000,- naar € 43.000,- ging) en deze administratie ook overeenkomt met het bedrag zoals door de verdachte is genoemd in het SkyECC-gesprek van 13 augustus 2020 met [medeverdachte 1] , leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat dit geldbedrag was geïnd.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf, te weten het zonder vergunning gelegen geven tot online gokken. Nu het geld aan [website] ten goede is gekomen, heeft de verdachte daarmee dit geldbedrag zelf, dan wel via [mede-eigenaar 1] , verworven en voorhanden gehad. Het onder feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
4.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij, in de periode van 1 april 2019 tot en met 16 september 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, middels een gokwebsite genaamd [website] gelegenheid heeft gegeven aan personen om door middel van een (kans)spel, te weten (een) online gokspel(en) op voornoemde gokwebsite, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend, terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij in de periode van 24 september 2019 tot en met 30 april 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, geldbedragen van in totaal 20.000 euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat die geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 358 dagen hechtenis, tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de raadsman is geen standpunt ingenomen met betrekking tot een eventueel op te leggen straf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk gelegenheid bieden tot online gokken via zijn website [website] zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Het aanbieden van kansspelen in Nederland was tot 1 oktober 2021 verboden en is sindsdien door de wetgever beperkt en gereguleerd, om hierop toezicht en controle te kunnen uitoefenen, om zwakkere groepen in de samenleving tegen grote financiële verliezen te beschermen en om witwassen van crimineel geld zoveel mogelijk te voorkomen. Dat de verdachte zich hier ook voor de periode van legalisering niet om bekommerde blijkt wel uit het feit dat bij [website] anoniem kon worden gegokt, via agenten/tussenpersonen en met contant geld. De verdachte heeft hierbij kennelijk uitsluitend gehandeld uit eigen financieel gewin.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van geld dat met dit aanbieden van illegaal online gokken werd verdiend. Van witwassen gaat een maatschappij-ontwrichtende werking uit. Het vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het gaat echter om oude veroordelingen voor niet soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank zal dit bij de strafbepaling dan ook niet meewegen.
Persoon van de verdachte
Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden blijkt dat hij nog steeds herstellende is van acute leukemie. De verwachting is dat hij over een jaar volledig hersteld zal zijn. De verdachte heeft een eigen IT-bedrijf.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat voor het witwassen aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij fraude, waar ook witwassen onder wordt geschaard, voor een benadelingsbedrag van
€ 10.000,- tot € 70.000,- als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mede gelet op het tijdsverloop niet langer passend is en komt, ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde, dan ook tot oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf. De rechtbank zal, gelet op het bewezenverklaarde bedrag van € 20.000,-, aansluiten bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en die vervolgens omrekenen naar een taakstraf.
De rechtbank komt voorts ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde tot de oplegging van een geldboete. De rechtbank gaat er, op grond van het dossier en overeenkomstig de officier van justitie, vanuit dat de verdachte flink aan het aanbieden van illegaal online gokken heeft verdiend. De rechtbank ziet, gelet op de onderbouwing van de eis van de officier van justitie, geen reden daarvan af te wijken.
Voor de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair
60 dagen hechtenis, en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 358 dagen hechtenis, passend en geboden.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 23, 24a, 24c, 47, 57, 63 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht;
- 1 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 1 en 36 van de Wet op de kansspelen.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder feit 1 en onder feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1, eerste lid, onder a van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan, terwijl hij van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van eenvoudig witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
60 (ZESTIG) DAGEN;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een geldboete van
€ 100.000,- (HONDERDDUIZEND) EURO;
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 358 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.
Bijlage I
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 16 september 2020, te Den Haag en/of Uithoorn en/of Rotterdam en/of op verschillende (andere) plekken in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, middels een (gok)website (genaamd [website] ) gelegenheid heeft gegeven aan (één of meer) personen om door middel van een (kans)spel, te weten (een) online gokspel(en) op voornoemde (gok)website, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend, terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
2.
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meerdere andere (onbekend gebleven) personen,
op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2019 tot en met 30 april 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, een ander, te weten [aangever] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [aangever] , wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten één of meerdere keren geldbedragen (van in totaal 20.000 euro) af te geven/betalen, door:
‐ naar het [horecagelegenheid] van die [aangever] te gaan en/of
‐ voor de bar in het theehuis op een rij, althans gegroepeerd te gaan staan en/of op de bar te slaan en/of
‐ tegen die [aangever] te zeggen: ‘met ons systeem is niets mis gegaan, jij moet betalen’ en/of ‘als je naar de politie gaat is het probleem nog niet opgelost’ en/of dichtbij die [aangever] te staan en te zeggen: ‘je gaat betalen anders heb je een groot probleem’, althans woorden te uiten van gelijke aard en/of strekking, en/of
‐ (aldus) een bedreigende en/of intimiderende (overtal‐)situatie te doen ontstaan, en/of
‐ (vervolgens) één of meerdere keren naar het [horecagelegenheid] te gaan om geld op te eisen en/of op te halen,
tot (en/of bij het plegen van) welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 september 2019 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer van zijn/hun mededader(s) heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen,
of opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,
door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer van zijn/hun mededader(s) informatie/inlichtingen te verschaffen over (de locatie en/of de eigenaar van) het [horecagelegenheid] en/of over wanneer [aangever] / de eigenaar van [horecagelegenheid] aanwezig zou zijn in de zaak en/of
over (de hoogte van) het geldbedrag (dat zou zijn verspeeld) dat [aangever] / de eigenaar van [horecagelegenheid] verschuldigd zou zijn en/of zou moeten betalen;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meerdere andere (onbekend gebleven) personen,
op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2019 tot en met 30 april 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, een ander, te weten [aangever] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [aangever] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten één of meerdere keren geldbedragen (van in totaal 20.000 euro) af te geven/betalen, door:
‐ naar het [horecagelegenheid] van die [aangever] te gaan en/of
‐ voor de bar in het theehuis op een rij, althans gegroepeerd te gaan staan en/of op de bar te slaan en/of
‐ tegen die [aangever] te zeggen: ‘met ons systeem is niets mis gegaan, jij moet betalen’ en/of ‘als je naar de politie gaat is het probleem nog niet opgelost’ en/of
dichtbij die [aangever] te staan en te zeggen: ‘je gaat betalen anders heb je een groot probleem’, althans woorden te uiten van gelijke aard en/of strekking, en/of
‐ (aldus) een bedreigende en/of intimiderende (overtal‐)situatie te doen ontstaan, en/of
‐ (vervolgens) één of meerdere keren naar het [horecagelegenheid] te gaan om geld op te eisen en/of op te halen,
tot (en/of bij het plegen van) welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 september 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,
opzettelijk die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer van zijn/hun mededader(s) heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, of opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,
door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer van zijn/hun mededader(s) informatie/inlichtingen te verschaffen over (de locatie en/of de eigenaar van) het [horecagelegenheid] en/of over wanneer [aangever] / de eigenaar van [horecagelegenheid] aanwezig zou zijn in de zaak en/of over (de hoogte van) het geldbedrag (dat zou zijn verspeeld) dat [aangever] / de eigenaar van [horecagelegenheid] verschuldigd zou zijn en/of zou moeten betalen;
meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 24 september 2019 tot en met 30 april 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, één of meerdere geldbedragen (van in totaal 20.000 euro) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig (al dan niet eigen) misdrijf;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 16 september 2020 te Den Haag en/of Rotterdam en/of op één of meer (andere) plaatsen in Nederland heeft deelgenomen aan
een organisatie die (al dan niet in wisselende samenstellingen) werd gevormd door verdachte en anderen, in elk geval [mede-eigenaar 2] en/of [mede-eigenaar 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in:
artikel 284 van Pro het Wetboek van Strafrecht (een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of bedreiging met enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander of tegen een derde wederrechtelijk dwingen iets te doen of niet te doen of te dulden) en/of
artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling of brandstichting) en/of
artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht (afpersing) en/of
artikel 26 van Pro de Wet Wapens en Munitie (voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie van de categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie).