ECLI:NL:RBDHA:2026:19419
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering verblijfsdocument EU niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang
Eiser diende op 17 januari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU voor verblijf bij een minderjarig Nederlands kind. De minister wees deze aanvraag op 7 augustus 2024 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 10 maart 2025. Eiser stelde op 8 april 2025 beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank behandelde het beroep op 17 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde zonder bericht van verhindering niet verschenen. Telefonisch gaf de gemachtigde aan dat eiser was teruggekeerd naar Turkije en de procedure niet wilde voortzetten, met de intentie het beroep in te trekken. Ondanks verzoeken van de rechtbank om het beroep in te trekken of de procedure voort te zetten, reageerde eiser niet en verscheen de gemachtigde niet op de zitting van 16 juni 2026.
De rechtbank concludeert dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De proceshouding van de gemachtigde, waaronder het niet nakomen van toezeggingen en het niet verschijnen, wordt gezien als minachting van de rechtbank. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsdocument EU ontvangt.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot weigering van het verblijfsdocument blijft in stand.