ECLI:NL:RBDHA:2026:19430

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.9174
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering afwijzing asielaanvraag Jordaanse vreemdeling

Eiser, een Jordaanse vreemdeling van Palestijnse afkomst, diende op 7 juni 2024 een asielaanvraag in die door de minister op 12 februari 2026 werd afgewezen als ongegrond. De minister achtte de eenmalige bedreiging via sociale media ongeloofwaardig en vond dat eiser onvoldoende vrees voor vervolging had aangetoond.

In beroep stelde eiser dat hij wel degelijk in de negatieve belangstelling staat van de Jordaanse autoriteiten, onder meer vanwege een arrestatiebevel van 5 juni 2025 wegens belediging van de koning op sociale media. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit arrestatiebevel en de verklaringen van eiser samen niet aannemelijk maken dat hij risico loopt.

De rechtbank benadrukt dat het arrestatiebevel, ondanks dat Bureau Documenten de echtheid niet definitief kon vaststellen, bewijswaarde toekomt en dat de minister ook op andere wijze de authenticiteit moet onderzoeken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.868,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het arrestatiebevel en de negatieve belangstelling van de Jordaanse autoriteiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.9174
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2002, van Jordaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 7 juni 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 12 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Als tolk in de Arabische taal was aanwezig I.H.A. Aziz.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. In Jordanië wordt eiser vanwege zijn Palestijnse afkomst gediscrimineerd. Zo kon hij daar lastig aan werk komen. Om die reden heeft hij Jordanië verlaten. Nadat eiser in Nederland was aangekomen, heeft hij eenmalig een bedreiging ontvangen via sociale media omdat hij opmerkingen had geplaatst over de houding van de Jordaanse autoriteiten tegenover Palestijnen in Gaza. Daarop heeft eiser het bericht verwijderd en het account van de bedreiger geblokkeerd. Als gevolg van de bedreiging vreest eiser bij terugkeer naar Jordanië voor de Jordaanse autoriteiten.
3. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser zijn UNRWA familieregistratiekaart, zijn UNRWA persoonlijke registratiekaart en fotokopieën van zijn paspoort en van die van zijn familie overgelegd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie wegens Palestijnse afkomst; en
eenmalige bedreiging via sociale media.
4.1.
De minister vindt het eerste en het tweede asielmotief geloofwaardig. Dat eiser eenmalig is bedreigd via sociale media vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel [2] omdat hij geen hij geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van relevante documenten. [3] Daarnaast vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. [4] Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft de geloofwaardig geachte asielmotieven een vrees voor vervolging heeft [5] of een reëel risico op ernstige schade loopt [6] bij terugkeer naar Jordanië. De minister vindt namelijk dat de discriminatie die eiser heeft meegemaakt niet een dusdanige beperking van zijn bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor eiser onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond en heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. De eenmalige bedreiging via sociale media is ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. Allereerst heeft eiser zijn activiteiten op sociale media voldoende onderbouwd. Ten onrechte verwacht de minister dat eiser bewijst dat de bedreiging afkomstig is van de Jordaanse autoriteiten, de bedreiging was immers anoniem. Ook heeft eiser voldoende inspanningen verricht om bewijsstukken van zijn socialmedia-accounts over te leggen. Daarbij komt dat eiser zich niet bewust was van het belang van documenten. De minister heeft in dat kader onvoldoende rekening gehouden met het opleidingsniveau van eiser. Ook heeft de minister niet expliciet gevraagd om bewijs van eisers berichten op sociale media. Daarnaast voert eiser aan dat hij in de negatieve belangstelling staat bij de Jordaanse autoriteiten vanwege zijn deelname aan een demonstratie in oktober 2023.
5.1.
Ter onderbouwing van die negatieve belangstelling heeft eiser in beroep het origineel van een arrestatiebevel van 5 juni 2025 overgelegd. Dit arrestatiebevel is tegen hem uitgevaardigd wegens belediging van de Jordaanse koning op sociale media.
5.2.
De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de uitkomst van het onderzoek naar dit document lastig is. Maar dat uit dit document niet blijkt dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in Jordanië omdat in dit document social media wordt genoemd en niet het deelnemen aan een demonstratie. Volgens de minister maakt dit arrestatiebevel niet dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Jordaanse autoriteiten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het arrestatiebevel van 5 juni 2025
7. Eiser voert aan dat het door hem in beroep overgelegde arrestatiebevel bevestigt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Jordaanse autoriteiten vanwege zijn uitlatingen op sociale media. Bureau Documenten heeft het arrestatiebevel op echtheid onderzocht. Uit de verklaring van onderzoek van 22 mei 2026 volgt dat er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen. Bureau documenten heeft de echtheid echter niet kunnen vaststellen wegens het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal.
7.1.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom het arrestatiebevel en verklaringen van eiser in onderlinge samenhang bezien niet aannemelijk maken dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. De inhoud van het arrestatiebevel vindt allereerst steun in het door eiser overgelegde artikel van Amnesty International waarin staat beschreven dat veel demonstranten op grond van de onderdrukkende cybercrime-wet zijn aangeklaagd vanwege het plaatsen van pro-Palestijnse berichten op sociale media. [7] Dat er door Bureau Documenten geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document betekent niet dat het document niet authentiek is en er geen bewijswaarde aan kan worden gehecht. Uit het arrest L.H. [8] volgt dat elk document dat een vreemdeling ter onderbouwing van zijn asielaanvraag overlegt bij de beoordeling moet worden betrokken. Het mag de vreemdeling niet worden tegengeworpen dat aan documenten geen bewijswaarde kan worden gehecht omdat de documenten niet op echtheid kunnen worden onderzocht. De rechtbank wijst in dit verband ook naar vaste rechtspraak van de Afdeling. [9] Verder blijkt uit deze vaste rechtspraak van de Afdeling ook dat de minister de documenten kenbaar moet betrekken bij zijn besluitvorming. Dat betekent dat ook aan het arrestatiebevel, ondanks dat Bureau Documenten geen uitspraak kan doen over de echtheid, bewijswaarde moet worden toegekend.
8. Gelet op de verklaringen van eiser over zijn kritische berichten op sociale media over het uitblijven van actie door de Jordaanse autoriteiten met betrekking tot de gebeurtenissen in Gaza, is het naar het oordeel van de rechtbank niet uitgesloten dat het arrestatiebevel in dat kader is uitgevaardigd en kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas en kan bijdragen aan zijn gestelde vrees voor vervolging door de Jordaanse autoriteiten. De minister moet voldoende motiveren welke bewijswaarde aan het document toekomt en wat dat betekent voor de aannemelijkheid van de gestelde negatieve belangstelling van de Jordaanse autoriteiten.
9. Overigens merkt de rechtbank op dat het document afkomstig is van de General Intelligence afdeling, een officiële overheidsinstantie, en dat het document is voorzien van een stempel. In beginsel zijn dit soort overheidsinstanties voor het doen van navraag of verificatie redelijkerwijs te bereiken om ook op andere wijze dan voorlegging aan Bureau Documenten de authenticiteit van de documenten te laten verifiëren. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling [10] van 26 januari 2022 [11] oordeelt de rechtbank dat de minister de authenticiteit van de documenten ook op andere manieren dan via het Bureau Documenten kan laten verifiëren. In het bijzonder wijst de Afdeling daarbij op de mogelijkheid om (eventueel via de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging ter plaatse) een vertrouwenspersoon in te schakelen.
10. De rechtbank overweegt tot slot dat de betekenis van het door eiser overgelegde arrestatiebevel de kern raakt van de door eiser aangevoerde problemen vanwege zijn activiteiten op sociale media en zijn gestelde vrees voor vervolging door de Jordaanse autoriteiten. De minister zal daarover eerst een andere beoordeling moeten maken. En voorzover de minister twijfelt aan de authenticiteit van het document, gelet op de uitkomst van het onderzoek door Bureau Documenten, zal hij daarnaar het onderzoek moeten doen zoals hiervoor beschreven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. [12] Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om nader onderzoek te doen naar het arrestatiebevel en vervolgens een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak. [13] De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [14]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken nader onderzoek te doen naar het arrestatiebevel en vervolgens een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).
2.Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
3.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
6.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
7.Amnesty International, 11 april 2024, Pro-Palestina demonstranten in Jordanië onterecht vast.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, L.H. tegen Nederland, van 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478.
9.Uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2809.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Op grond van artikel 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 3:46 (motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
14.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.