ECLI:NL:RBDHA:2026:19432
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko, omdat zijn sociale en economische bindingen onvoldoende waren aangetoond.
Eiser voerde aan dat hij deel uitmaakt van een hecht gezin en een afgeronde rechtenstudie heeft, en dat hij sinds 2021 werkzaam is als handelsagent met een maandelijks inkomen van 500 euro contant. Hij overlegde bankafschriften, een werkgeversverklaring en andere bewijsstukken ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de sociale binding onvoldoende is omdat eiser jong, ongehuwd en zonder zorgtaken is, en dat de economische binding niet overtuigend is aangetoond omdat het inkomen niet objectief verifieerbaar was en de bankafschriften geen duidelijk verband met salarisbetalingen toonden. De beroepsgrond faalde en het beroep werd ongegrond verklaard.
De rechtbank wees het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en stelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.