ECLI:NL:RBDHA:2026:19432

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL25.9055
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 3:2 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko, omdat zijn sociale en economische bindingen onvoldoende waren aangetoond.

Eiser voerde aan dat hij deel uitmaakt van een hecht gezin en een afgeronde rechtenstudie heeft, en dat hij sinds 2021 werkzaam is als handelsagent met een maandelijks inkomen van 500 euro contant. Hij overlegde bankafschriften, een werkgeversverklaring en andere bewijsstukken ter onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat de sociale binding onvoldoende is omdat eiser jong, ongehuwd en zonder zorgtaken is, en dat de economische binding niet overtuigend is aangetoond omdat het inkomen niet objectief verifieerbaar was en de bankafschriften geen duidelijk verband met salarisbetalingen toonden. De beroepsgrond faalde en het beroep werd ongegrond verklaard.

De rechtbank wees het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en stelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.9055
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1997, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en

de minister van Asiel en Migratie (de minister), verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De afwijzing van de aanvraag kan dus in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om zijn familie in Nederland te bezoeken.
2.1.
Met het besluit van 12 augustus 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
3. Eiser heeft verzocht om van de betaling van het griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf afgewezen, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum weer terug te keren naar Marokko. De sociale en economische binding van eiser met Marokko zijn namelijk onvoldoende aangetoond, dan wel gering gebleken. Omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren, wordt er in het verlengde daarvan ook getwijfeld aan de juistheid van het door eiser opgegeven reisdoel van zijn voorgenomen verblijf. Omdat eiser in bezwaar geen informatie heeft aangedragen die tot een andere conclusie noopt, is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De minister heeft eiser daarom ook niet gehoord.
Sociale en economische binding
5. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat hij zijn economische en sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser voert wat betreft zijn sociale binding aan dat, hoewel hij ongehuwd is en geen kinderen heeft, hij deel uitmaakt van een hecht gezin, bestaande uit zijn ouders en twee broers. Deze omstandigheden vormen een concrete sociale binding met zijn ouders, en daarmee met Marokko. Voorts woont eiser zijn hele leven in Marokko, heeft hij daar zijn sociale leven opgebouwd en beschikt hij over toekomstperspectieven, mede gezien zijn afgeronde wetenschappelijke opleiding en rechtenstudie. Op basis van het voorgaande kan het standpunt van de minister, namelijk dat onvoldoende sociale binding met Marokko is aangetoond, niet in stand blijven. De opvatting van de minister zou er immers toe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding, en dat is volgens eiser slecht verdedigbaar. Eiser verwijst daarbij naar uitspraken van deze rechtbank van 5 juli 2018 [1] en 24 april 2023 [2] .
6. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is sinds 1 maart 2021 werkzaam bij [bedrijf] . Hij ontvangt maandelijks omgerekend een inkomen van 500 euro contant. Ter onderbouwing heeft eiser ten eerste bankafschriften overgelegd. Hieruit blijkt dat er regelmatig stortingen en overboekingen plaatsvinden en dat eiser over een toereikend banksaldo beschikt. De hogere stortingen in mei, juni en juli 2024 houden verband met stortingen van spaargeld ter voorbereiding van zijn geplande reis. Hoewel deze bedragen niet direct herleidbaar zijn tot inkomsten uit zijn werkzaamheden vanwege de contante aard van zijn inkomen, is wel duidelijk dat eiser regelmatig geld op zijn rekening stort en beschikt over voldoende financiële middelen. Verder heeft eiser een werkgeversverklaring overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat eiser sinds 1 januari 2024 als handelsagent werkt. Tot slot heeft eiser schermafbeeldingen van een Instagramaccount en klantbeoordelingen overgelegd.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond, waardoor deze ook in onderlinge samenhang bezien niet kunnen leiden tot de conclusie dat de terugkeer van eiser naar Marokko is gewaarborgd. De rechtbank legt dit hierna verder uit.
7.1.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser de sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is jong, heeft geen familieleden waar hij voor moet zorgen en geen kenbare maatschappelijke verplichtingen die hem noodzaken tijdig terug te keren naar Marokko. De stelling van eiser dat het standpunt van de minister ertoe zou kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding, volgt de rechtbank niet. De sociale en economische binding zijn communicerende vaten. Een alleenstaande zonder zorgtaken kan een geringe sociale binding dan ook compenseren met een sterkere economische binding.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser ook zijn economische binding met Marokko onvoldoende is aangetoond. Dat eiser een rechtenstudie stelt te hebben afgerond, maakt niet dat sprake is van economische binding. De werkzaamheden van eiser als handelsagent houden immers geen verband met deze rechtenstudie. Eiser heeft verder niet met objectief verifieerbare stukken aangetoond dat hij daadwerkelijk inkomen uit arbeid ontvangt. Op de zitting is gebleken dat de schermafbeeldingen van het Instagramaccount zien op het vorige bedrijf waar eiser werkte. De klantbeoordelingen zijn niet vertaald. Met de overgelegde werkgeversverklaring en de bankafschriften heeft eiser niet aangetoond dat hij het gestelde salaris daadwerkelijk ontvangt. Op de bankafschriften zijn weliswaar stortingen zichtbaar, maar deze zijn niet herleidbaar tot het salaris. De stelling van eiser dat hij zijn contant uitbetaalde salaris heeft opgespaard en op zijn rekening heeft gestort, is onvoldoende om het gestelde dienstverband en de daaruit gegenereerde regelmatige en substantiële inkomsten aan te tonen. Het had op de weg van eiser gelegen om bijvoorbeeld ook een arbeidscontract of belastingaangifte over te leggen. Dat eiser hier niet over beschikt, komt voor zijn rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.AWB 18/1147 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).