ECLI:NL:RBDHA:2026:19433
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijheidsbeperkende maatregel tegen vreemdeling en minderjarige zoon
De minister van Asiel en Migratie heeft op 23 maart 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan eiseres en haar minderjarige zoon, waarbij zij verplicht werden te verblijven in de gemeente Emmen. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat zij bereid is mee te werken aan terugkeer, maar niet over de juiste documenten beschikt. Tevens betwistte zij de noodzaak en proportionaliteit van de maatregel en stelde dat de belangen van haar zoon onvoldoende zijn meegewogen.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 behandeld en oordeelt dat de minister de maatregel voldoende heeft gemotiveerd. De maatregel is noodzakelijk om toezicht te houden op de medewerking aan vertrek, mede omdat eiseres tijdens een vertrekgesprek aangaf niet te willen meewerken en geen concrete pogingen heeft ondernomen om te vertrekken. Ook het ontbreken van een vaste woon- of verblijfsplaats en onvoldoende middelen van bestaan rechtvaardigen de maatregel.
De rechtbank acht de maatregel proportioneel, mede omdat er al een lichter middel is opgelegd en de minister rekening heeft gehouden met de opvang en medische zorg voor eiseres en haar zoon. De belangen van de minderjarige zijn volgens de rechtbank voldoende betrokken bij de besluitvorming. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.