ECLI:NL:RBDHA:2026:19448

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
09/239653-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor poging zware mishandeling met mes in woning te Rijswijk

Op 9 september 2025 maakte de verdachte met een mes stekende bewegingen richting het slachtoffer, haar echtgenoot, in hun woning te Rijswijk. Hierbij liep het slachtoffer twee wonden op aan het onderbeen en de knie. De rechtbank achtte het primair ten laste gelegde feit niet bewezen, maar verklaarde de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Tijdens de terechtzitting op 18 juni 2026 werden verklaringen van verdachte en slachtoffer gehoord. Beide bevestigden het incident waarbij de verdachte met een 25 cm lang mes zwaaide, wat resulteerde in letsel. De rechtbank concludeerde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ondanks haar verklaring dat zij het mes alleen had gepakt om het slachtoffer bang te maken.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de aanwezigheid van de kinderen tijdens het incident, het schone strafblad van de verdachte en het reclasseringsadvies. De opgelegde straf bestaat uit 98 dagen gevangenisstraf, waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en behandeling bij een GGZ-instelling.

De voorlopige hechtenis wordt opgeheven omdat het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk is aan de tijd in voorarrest. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit en veroordeelde haar voor de poging zware mishandeling zoals bewezen verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 98 dagen gevangenisstraf, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, voor poging zware mishandeling met een mes.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/239653-25
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. M. Peelen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 9 september 2025 te Rijswijk aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de benen en/of de borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of daarbij in het been en/of de schouder, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken/snijden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 9 september 2025 te Rijswijk, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de benen en/of de borst, althans het lichaam van genoemde [slachtoffer] en/of genoemde [slachtoffer] (daarbij) in het been en/of de schouder, althans in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 9 september 2025 te Rijswijk [slachtoffer] heeft mishandeld, door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de benen en/of de borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of daarbij in het been en/of de schouder, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken/snijden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
3.3.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Uit de verklaring van zowel de verdachte als het slachtoffer volgt dat op 9 september 2025 de verdachte thuis was met haar twee kinderen toen het slachtoffer tegen het einde van de avond ook thuiskwam. Daarop volgde, in elk geval, een woordenwisseling over de relatie van de verdachte en het slachtoffer, waarna de verdachte naar de keuken is gelopen en een mes heeft gepakt. De verdachte is vervolgens met het mes (inclusief het handvat) van 25 cm, naar het slachtoffer gelopen die inmiddels op de derde traptrede stond van de trap naar de bovenverdieping.
Zowel de verdachte als het slachtoffer hebben tegen de politie verklaard dat de verdachte, die onderaan de trap naar de bovenverdieping stond, met het mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt als gevolg waarvan het slachtoffer letsel heeft opgelopen: een wond van ca. 4 cm op het onderbeen rechts en een wond van ca. 1 cm op knie rechts. De wonden zijn gehecht en de geschatte duur van de genezing is één week.
Door met een dergelijk mes te zwaaien vlak voor het lichaam van het slachtoffer, heeft de verdachte daarmee op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Deze gedraging heeft naar de uiterlijke verschijningsvorm immers zozeer te gelden als op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijk kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De verklaring van de verdachte dat zij het mes slechts had gepakt om het slachtoffer daarmee bang te maken en niet de opzet had hem te verwonden, doet daar niet aan af. Te meer nu de verdachte direct na aankomst van de politie ook heeft verklaard ‘er geen spijt van’ te hebben.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op
of omstreeks9 september 2025 te Rijswijk
, in elk geval in Nederlandter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes
stekendebewegingen heeft gemaakt in de richting van de benen
en/of de borst, althans het lichaamvan genoemde [slachtoffer] en
/ofgenoemde [slachtoffer] daarbij in het been
en/of de schouder, althans in het lichaamheeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken, zijnde 98 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat gewicht toekent aan de emotionele ontregeling, het ontbreken van gerichte verwondingsintentie, het relationele contact, het ontbreken van een actuele conflictsituatie en de huidige de-escalatie binnen het gezin.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 9 september 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer, haar echtgenoot, in hun gezamenlijke woning. Een poging zware mishandeling is een ernstig strafbaar feit, dat rekent de rechtbank de verdachte aan. De rechtbank constateert dat de kinderen van de verdachte en het slachtoffer aanwezig waren in de woning ten tijde van de poging zware mishandeling, dat de oudste dochter de poging zware mishandeling heeft gezien en dat de jongste dochter daar niet alleen van wakker is geworden, maar ook het mes dat de verdachte daarbij heeft gebruikt, heeft willen verstoppen.. Dit heeft veel impact gehad op de kinderen van de verdachte en het slachtoffer.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026, dat op deze zaak na, leeg is.
Persoon van de verdachte
Over de persoon van de verdachte is een Pro Justitia rapport (psycholoog) d.d. 25 februari 2026 opgemaakt. Door de deskundige is vastgesteld dat persoonlijkheidsproblematiek, psychische aandoeningen en/of middelengebruik niet aanwezig zijn bij de verdachte. Aangezien op basis van onderhavig onderzoek geen diagnose is gesteld, heeft de psycholoog zich onthouden tot het doen van een uitspraak over de mate waarin het ten laste gelegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend en is geen inschatting gemaakt van het recidiverisico.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 17 juni 2026. Omdat de scheiding tussen de verdachte en het slachtoffer nog niet is afgewikkeld, heeft de reclassering de zorg dat er conflicten tussen hen kunnen ontstaan met eventuele escalaties tot gevolg. De reclassering adviseert daarom bij veroordeling van de verdachte, haar op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, en dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ instelling Delft of een soortgelijke zorgverlener
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor een poging zware mishandeling met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) vermeld 140 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval acht de rechtbank straf verlagend dat het de eerste keer is dat de verdachte wordt veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook heeft de rechtbank oog voor de omstandigheid dat de twee kinderen van de verdachte en het slachtoffer, bij de verdachte in huis wonen en de verdachte de zorg voor hen draagt.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan het voorarrest, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
98 (ACHTENNEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
82 (TWEEËNTACHTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ instelling Delft of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.E. Bandsma, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.