Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Opposant, een Oezbeekse asielzoeker, diende op 10 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat Litouwen volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 7 mei 2026 ongegrond, waarbij werd aangenomen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Litouwen geldt en dat er geen sprake is van systematische tekortkomingen in de opvang of asielprocedure in Litouwen. Ook werden geen bijzondere individuele omstandigheden vastgesteld die overdracht aan Litouwen onevenredig hard zouden maken.
Opposant maakte bezwaar tegen deze beslissing en verzocht om een zitting om zijn situatie nader toe te lichten. De rechtbank oordeelde echter dat in de verzetsprocedure geen nieuwe inhoudelijke beoordeling plaatsvindt, maar alleen wordt getoetst of het beroep terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen zonder zitting.
De rechtbank concludeerde dat het beroep terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen en dat de argumenten van opposant in verzet geen twijfel over de uitkomst doen ontstaan. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.