ECLI:NL:RBDHA:2026:19494

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34320
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, diende op 25 april 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 11 augustus 2025 al een asielaanvraag in Duitsland had ingediend. Op grond van de Dublinverordening werd Duitsland verzocht om eiser terug te nemen, wat werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege tekortkomingen in de toegang tot medische zorg voor asielzoekers in Duitsland. Hij verwees naar rapporten en zijn eigen ervaringen met medische zorg in Duitsland. De rechtbank oordeelde echter dat deze belemmeringen niet zodanig zijn dat het vertrouwensbeginsel moet worden losgelaten.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij geen toegang tot noodzakelijke medische zorg zou krijgen en dat de Duitse autoriteiten de asielaanvraag met inachtneming van Europese regelgeving zullen behandelen. Ook werden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen door Nederland. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is doorbroken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34320

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 18 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt de zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 25 april 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 augustus 2025 in Duitsland al een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening [3] de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek op 21 mei 2026 op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat de toegang tot de gezondheidszorg voor asielzoekers in Duitsland tekortschiet, onder meer vanwege belemmering bij de toegang tot zorg en een tekort aan tolken. In dit kader verwijst eiser naar artikelen van Informationsverbund Asiel & Migration van januari 2026 en van InforMigrants van 1 juni 2026.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM [4] en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [5] van 25 januari 2024, [6] 6 mei 2024 [7] en 14 februari 2025. [8] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn overdracht aan Duitsland zal leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [9] Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat niet is gebleken dat eiser als Dublinclaimant geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure, de opvangvoorzieningen of de noodzakelijke medische zorg.
5. De door eiser overgelegde artikelen beschrijven dat asielzoekers in Duitsland in de praktijk belemmeringen kunnen ondervinden bij de toegang tot de gezondheidszorg en dat de inrichting van de gezondheidszorg per deelstaat verschilt. Hieruit volgt echter niet dat asielzoekers of Dublinclaimanten geen toegang hebben tot de noodzakelijke medische zorg of dat sprake is van zodanige tekortkomingen in het asiel- of opvangsysteem dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook de verklaringen van eiser leiden niet tot een ander oordeel. Eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland vanwege klachten aan zijn hoofd en rug medische hulp heeft gevraagd, maar daarbij niet aan de beurt kwam. Deze verklaringen zijn onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij in Duitsland geen toegang had of zal hebben tot de noodzakelijke medische zorg. Daarbij neemt de rechtbank mee dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.
6. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de toepasselijke Europese regelgeving. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat ervan mag worden uitgegaan dat eiser, indien hij daarop is aangewezen, toegang zal krijgen tot de noodzakelijke medische zorg. Indien eiser meent dat hem in Duitsland ten onrechte medische zorg wordt onthouden of dat hij anderszins onvoldoende toegang heeft tot medische zorg, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser ontbreekt of bij voorbaat zinloos is.
7. In wat eiser heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft verder geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die reeds zijn betrokken, die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.