ECLI:NL:RBDHA:2026:1954

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3142
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 67 VreemdelingenwetArt. 66a VreemdelingenwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat de openbare orde de bewaring vordert vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, onderbouwd met zware en lichte gronden zoals eerdere onttrekkingen aan toezicht en het ontbreken van een vaste woonplaats.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn gezinsleven en dat lichtere middelen zoals meldplicht of elektronisch toezicht niet waren overwogen, wat volgens hem in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat de gronden voor bewaring actueel en voldoende waren en dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste. Het beperkte contact met zijn kinderen en de mogelijkheid dat zij hem in Marokko kunnen bezoeken, maakten verder onderzoek niet noodzakelijk.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de bewaring sinds 24 november 2025 niet onrechtmatig was en dat het familie- en gezinsleven of het non-refoulementbeginsel geen bezwaar vormden tegen verwijdering. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3142

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3b, 3c, 3d en 3i en de lichte gronden 4c en 4d die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar wat zij hierna onder 2.1. overweegt over de risicoanalyse.
Lichter middel
2. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen lichter middel dan inbewaringstelling heeft opgelegd, omdat verweerder onvoldoende feitelijk onderzoek heeft gedaan naar het gezinsleven van eiser met zijn (Nederlandse) kinderen. De motivering van verweerder berust volgens eiser op algemeenheden zonder onderzoek naar de frequentie en wijze van contact tijdens en na detentie of controle van bezoek- en telefooncontactgegevens. Ook ontbreekt de toetsing van minder ingrijpende alternatieven zoals meldplicht, locatiegebod, borg of elektronisch toezicht. Dit is in strijd zijn met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat er geen zorgvuldige, individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden en verweerder niet concreet heeft gemotiveerd waarom lichtere maatregelen niet volstaan. Het verwijzen naar standaardoverwegingen is volgens eiser onvoldoende en strijdig met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23410). Daarnaast is het belang van de kinderen bij het behoud van contact onvoldoende meegewogen. De suggestie dat de kinderen naar Marokko kunnen reizen, houdt volgens eiser geen rekening met hun nationaliteit, school, gezondheid, sociale netwerk en de praktische haalbaarheid van frequente reizen. Eiser voert verder aan dat verweerder geen actuele risicoanalyse heeft gemaakt, zodat de keuze voor bewaring in plaats van een lichter middel niet te volgen is. Ook voert hij aan dat verweerder stelt dat DT&V een laissez-passer (lp) heeft aangevraagd en dat Marokko meewerkt, maar dat het dossier geen concrete termijnen, afspraken of recente aanwijzingen over terugname bevat. Een algemene verwijzing naar ‘meewerkende autoriteiten’ is onvoldoende, zeker gezien de ernstige inbreuk van bewaring op artikel 8 van Pro het EVRM en het bestaan van lichtere, minder ingrijpende alternatieven. Daarom is de bewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor onder 1.1. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht. Dat enkele feiten die ten grondslag zijn gelegd aan deze bewaringsgronden hebben plaatsgevonden in de tijd dat eiser verslaafd was (zoals het gebruik van aliassen), neemt het risico op onttrekking niet weg. Die feiten zijn wel juist en bovendien zijn de meeste feiten die verweerder in de toelichtingen op de bedoelde bewaringsgronden heeft genoemd nog actueel. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de keuze voor bewaring niet is te volgen omdat een actuele risicoanalyse ontbreekt. Voor zover eiser met deze stelling wil betogen dat hij geen actueel gevaar meer vormt voor de openbare orde, dient hij dit in het kader van een procedure tegen het hem opgelegde inreisverbod aan de orde te stellen. Wat betreft eisers gezinsleven heeft verweerder mogen betrekken dat eiser in zijn gehoor slechts summiere verklaringen heeft afgelegd en nauwelijks concrete informatie heeft verstrekt over de invulling van zijn gezinsleven. Uit het weinige wat eiser heeft verklaard, volgt dat hij is gescheiden en niet samenwoont met zijn ex-vrouw en kinderen (van 8, 14 en 23 jaar oud), maar nog wel contact met hen heeft. Nu uit eisers verklaringen niet volgt dat hij zorgtaken vervult en dat de kinderen van hem afhankelijk zijn (integendeel, hij verklaart dat zijn oudste dochter hem juist ondersteunt), was verder onderzoek niet vereist en heeft verweerder kunnen overwegen dat de kinderen van eiser hem in Marokko kunnen bezoeken en dat een verblijf van eiser in Marokko niet aan omgang in de weg staat. De rechtbank merkt hierbij nog op dat eiser zelf heeft verklaard dat zijn kinderen Marokko bezoeken voor vakantie. De door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23410) betreft geen situatie die vergelijkbaar is met die van eiser. Ten aanzien van de medewerking van de autoriteiten merkt de rechtbank op dat met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) is gemoeid. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij geen lp zullen afgeven voor eiser. De motivering van verweerder is in deze context toereikend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 24 november 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.