ECLI:NL:RBDHA:2026:19577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
09/075408-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor bedreiging met levensdelict en zware mishandeling

De rechtbank Den Haag behandelde op 2 juli 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van diefstal met geweld en bedreiging met een levensdelict en zware mishandeling. De verdachte werd vrijgesproken van de diefstal en de subsidiaire tenlastelegging daarvan, omdat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat hij de mobiele telefoon in Voorburg had verworven of overgedragen.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 9 april 2026 te 's-Gravenhage het slachtoffer heeft bedreigd met de woorden "Ik sla je kankerdood" en "Ik steek een mes in je keel". De bedreigingen vonden plaats in een restaurant, in het bijzijn van anderen en gingen door ondanks de aanwezigheid van politieagenten. Verdachte was onder invloed van alcohol en geschorst uit voorlopige hechtenis.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, dat meerdere veroordelingen voor overlastgevende geweldsfeiten bevat, en een reclasseringsadvies dat een hoog recidiverisico signaleerde. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden legde de rechtbank een gevangenisstraf van één week op, lager dan de eis van de officier van justitie.

De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat het feit waarop de vordering betrekking had niet bewezen werd verklaard. De rechtbank bepaalde dat de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één week gevangenisstraf voor bedreiging met levensdelict en zware mishandeling, vrijgesproken van diefstal.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/075408-26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. Gerritsen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg omstreeks 00.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op de openbare weg aan de Monseigneur van Steelaan, een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een arm om de nek van die [aangever 1] te doen/slaan en/of die [aangever 1] in een wurggreep/nekklem te nemen/houden en/of die [aangever 1] (meermalen) te slaan/stompen op zijn/het (achter)hoofd;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, een mobiele telefoon, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft
overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze mobiele telefoon/dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij op of omstreeks 9 april 2026 te 's-Gravenhage [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je kankerdood" en/of "Ik steek een mes in je keel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1, primair, ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, subsidiair, en 2 ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1, primair, ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1, subsidiair, en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1, primair en subsidiair, ten laste gelegde van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Voor wat betreft het onder 1, subsidiair, ten laste gelegde overweegt de rechtbank daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de betreffende gestolen telefoon heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen in
Voorburg. De verdachte heeft immers verklaard de telefoon bij het Centraal Station in Den Haag te hebben gekocht. Verdachte is vervolgens korte tijd later in Den Haag aangehouden. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte de betreffende telefoon in Voorburg heeft gekocht ofwel tussen de aankoop en zijn aanhouding in Voorburg is geweest. De rechtbank zal verdachte daarom ook van het onder 1, subsidiair, ten laste gelegde vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
De bewijsoverwegingen
Op grond van het dossier en de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd is voor de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [aangever 2] heeft bedreigd. De verdachte was ten tijde van de bedreiging onder invloed van alcohol. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de bedreigingen niet de bedoeling waren en dat het zoals hij dat zegt ‘’een foutje’’ was.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 9 april 2026 te 's-Gravenhage [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je kankerdood" en "Ik steek een mes in je keel".

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,- dan wel omgerekend 30 dagen gevangenisstraf.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft het slachtoffer in een restaurant, in het bijzijn van anderen, bedreigd, nadat het slachtoffer een opmerking had gemaakt over overlastgevend gedrag van de verdachte. Het betreft een naar strafbaar feit dat het slachtoffer een gevoel van onveiligheid heeft bezorgd. De bedreigingen richting het slachtoffer gingen door ook toen twee politieagenten ter plaatste kwamen. Verdachte was onder invloed van alcohol en op het moment van de bedreigingen bovendien onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 van zestien pagina’s. Hieruit blijkt dat de verdachte een delictverleden heeft, en meermaals is veroordeeld voor overlastgevende (gewelds)feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 11 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van een hoog recidiverisico. Als voornaamste risicofactoren identificeert de reclassering het middelengebruik, de financiën en het psychosociaal functioneren van verdachte. Na gebruik van alcohol kan de verdachte een agressieve houding aannemen. Verdachte lijkt weinig inzicht in het eigen handelen te tonen. Verdachte bagatelliseert zijn eigen handelen en ziet zichzelf veelal als slachtoffer van situaties. De reclassering adviseert bij een veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijk straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling met een mogelijke kortdurende opname, aflossing schulden, beheersing middelengebruik en ambulante begeleiding.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 1 (één) week.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, omdat naar het oordeel van de rechtbank hetgeen onder 1, subsidiair, ten laste is gelegd aan de verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het bewezen verklaarde de oplegging van het pakket aan voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, niet rechtvaardigt.

7.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven per 19 juni 2026, welke beslissing apart is geminuteerd.

8.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding voor immateriële schade van € 900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu de officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van hetgeen onder 1, primair, ten laste gelegd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de verdediging vrijspraak van het onder 1, primair, ten laste gelegde heeft bepleit.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

9.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen straf is gegrond op artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals die ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, primair en subsidiair, ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (ÉÉN) WEEK;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt benadeelde partij [aangever 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Hengeveld, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.