ECLI:NL:RBDHA:2026:19581

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29367
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 59b, tweede lid Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 met grondslagwijziging en belangenafweging

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij onder meer een grondslagwijziging is toegepast. De rechtbank oordeelt dat deze wijziging tijdig heeft plaatsgevonden binnen de toegestane termijn van twee dagen na de asielaanvraag.

Verweerder heeft de bewaring onderbouwd met zware en lichte gronden, waaronder het onttrekkingsrisico van eiser. De rechtbank acht deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd, en wijst het verweer van eiser af dat er geen actuele beoordeling zou zijn gemaakt.

De rechtbank overweegt dat het arrest Aroja van het Hof van Justitie niet van toepassing is op deze maatregel, omdat deze gebaseerd is op de Opvangrichtlijn en niet op de Terugkeerrichtlijn. Ook is er geen sprake van overschrijding van de maximale termijn van bewaring.

Verder is er geen aanleiding om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de asielaanvraag. De belangenafweging en de keuze voor de maatregel van bewaring in plaats van een lichter middel zijn zorgvuldig gemotiveerd, mede gelet op het onttrekkingsrisico en het ontbreken van onderbouwde medische bezwaren.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29367

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Grondslagwijziging van de maatregel
1. Eiser betoogt dat de grondslagwijziging bij de voorliggende maatregel niet tijdig heeft plaatsgevonden. Eiser voert dit aan omdat in het vertrekgesprek van 19 mei 2026 de mogelijkheid om een asielaanvraag in te dienen reeds is besproken met eiser en de grondslagwijziging pas op 22 mei 2026 heeft plaatsgevonden.
2. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een niet-tijdige omzetting van de maatregel. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraak van 22 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6279), waarin de Afdeling heeft bepaald dat verweerder twee dagen de tijd heeft om een grondslagwijziging van de bewaringsmaatregel uit te voeren. De rechtbank stelt vast dat de dag dat eiser asiel heeft aangevraagd op 20 mei 2026 was. Dat eiser al eerder, in het vertrekgesprek op 19 mei 2026, de mogelijkheid van een asielaanvraag heeft besproken met de regievoerder doet hier niet aan af. Verweerder heeft dan ook tijdig, binnen twee dagen, de wettelijke grondslag van de maatregel gewijzigd op 22 mei 2026. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gronden voor de maatregel
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3.1.
Eiser heeft de zware en lichte gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel betwist. Volgens eiser zijn bij deze gronden geen actuele beoordelingen gemaakt.
3.2.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), mag een zware bewaringsgrond ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring zolang deze grond feitelijk juist is. De rechtbank volgt het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat de zware gronden het onttrekkingsrisico kunnen onderbouwen als uit de toelichting volgt dat deze feitelijk juist zijn. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3b niet betwist waardoor verweerder hiermee het onttrekkingsrisico van eiser heeft kunnen onderbouwen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de maximale termijn in bewaring (Aroja-arrest)
4. Eiser voert aan dat de maximale termijn van inbewaringstelling inmiddels is overschreden in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148, Aroja) en dat het verlengingsbesluit niet is getoetst.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het Aroja-arrest spitst zich toe op inbewaringstellingen die zijn gestoeld op de Terugkeerrichtlijn. De voorliggende maatregel van bewaring vindt zijn grondslag in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw. Dit artikel is een implementatie in de Nederlandse wetgeving van de Opvangrichtlijn. Om deze reden speelt de vraag of er een overschrijding is van de maximale termijn bij deze maatregel geen rol bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Ten aanzien van het beroep over het verlengingsbesluit, merkt de rechtbank op dat deze niet ter toetsing voorligt in de onderhavige zaak. Bovendien heeft deze rechtbank reeds eerder uitspraak gedaan op het beroep ten aanzien van het niet tijdig nemen van een verlengingsbesluit in de zaak van eiser met zaaknummer NL26.24020. Hierin is overwogen dat er geen sprake is van een overschrijding zoals bedoeld in het arrest Aroja. Nu de periode waarin eiser op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring heeft gezeten niet meetelt bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, was de termijn van zes maanden niet verstreken ten tijde van het verlengingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de asielaanvraag van eiser.
5.1.
De rechtbank constateert dat zij geen oordeel hoeft te vellen over het zicht op uitzetting, nu dit geen omstandigheid is die wordt beoordeeld bij asielbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de asielaanvraag van eiser. De asielbewaring duurt vier dan wel zes weken lang blijkens artikel 59b, tweede lid, van de Vw. Zolang verweerder binnen deze termijn heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, betekent dit dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Nu in het voorliggende geval de termijn van vier dan wel zes weken nog niet is bereikt ten tijde van het sluiten van het onderzoek, kan niet worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld op enig moment tot het sluiten van het onderzoek. Bovendien heeft verweerder naar voren gebracht dat het gehoor opvolgende aanvraag is gepland op 30 mei 2026 en dat op 8 juni 2026 de beslissing zal worden genomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel en belangenafweging
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser door de langdurige detentie psychische problemen heeft ontwikkeld. Volgens eiser is er dan ook een onjuiste en onzorgvuldige belangenafweging gemaakt.
6.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze gronden volgt dat er sprake is van een risico op onttrekking. Daarnaast heeft eiser in het gehoor voor de oplegging van de maatregel verklaard dat hij zal vertrekken uit het asielzoekerscentrum in het geval een lichter middel zal worden opgelegd. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding heeft moeten zien aan eiser een lichter middel dan een maatregel van bewaring op te leggen. Eiser heeft zijn medische en psychische klachten niet met stukken onderbouwd, waardoor niet is komen vast te staan dat eiser detentieongeschikt is. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder kenbaar in de maatregel heeft gemotiveerd waarom de medische en psychische gesteldheid van eiser niet heeft geleid tot het opleggen van een lichter middel. In de maatregel van bewaring is daar onder andere over opgenomen dat van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg. Als de zorg niet voldoende kan worden gegeven, zal eiser worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt verder dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.