ECLI:NL:RBDHA:2026:19595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
K/4502/12116996
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. van der Lee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:75 BWArt. 6:91 BWArt. 6:94 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete wegens annulering evenement gematigd wegens wanverhouding en geen overmacht

Supperclub 2.0 B.V. vordert betaling van €6.838,51 wegens annulering van een clubavond door [gedaagde partij] B.V. De overeenkomst bevat een annuleringsregeling die een boete van €6.000 inclusief btw voorschrijft bij annulering binnen twee maanden voor het evenement.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde partij] aan de overeenkomst is gebonden en dat de annulering op 8 september 2025 niet onder overmacht valt, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom taken niet konden worden overgenomen. De boete is een standaardclausule en kan worden gematigd als deze tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.

De rechter matigt de boete tot €4.000 vanwege een wanverhouding tussen de boete en de feitelijke schade, aangezien Supperclub een diner organiseerde met vergelijkbare omzet. De annuleringsregeling blijft grotendeels van kracht om lichtvaardige annuleringen te voorkomen.

Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €525 toegewezen en wettelijke handelsrente vanaf 10 oktober 2025. De proceskosten van €1.551,65 worden aan [gedaagde partij] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet een gematigde annuleringsboete van €4.000, incassokosten en rente betalen aan Supperclub.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
JvdL/B/C
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12116996 \ RL EXPL 26-4926
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
SUPPERCLUB 2.0 B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Supperclub,
gemachtigde: mr. H.W. Meijer,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te Zoetermeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 januari 2026 met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord van 24 februari 2026 met producties 1 tot en met 6;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde partij] een vergoeding van € 6.000 moet betalen wegens het annuleren van de clubavond die zij op de locatie van Supperclub zou organiseren. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde partij] op grond van de tussen partijen afgesproken annuleringsregeling inderdaad een vergoeding verschuldigd is. Het bedrag dat [gedaagde partij] moet betalen, wordt echter gematigd tot € 4.000.

3.De feiten

3.1.
Supperclub exploiteert een onderneming op het gebied van drinkgelegenheden en het organiseren van feesten en evenementen.
3.2.
[gedaagde partij] is actief in de branche ‘Overige zakelijke dienstverlening’. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde partij] .
3.3.
In een app-bericht van juli 2025 schrijft [naam 1] aan een medewerker van Supperclub:

Goedemorgen [naam 2] ,
Gegevens voor Concept Contract;

Naam organisatie : [gedaagde partij]

Adres: [adres]

Naam tekenbevoegde; [naam 1]

(…)
(…)
3.4.
In een document dat op 17 juli 2025 door [naam 1] is getekend staat het volgende vermeld:

Algemene informatie
Datum partij: 5 oktober 2025, 2 november & 7 december
(…)
Algemeen

(…)

Deze overeenkomst is overdraagbaar is aan een nieuw op te richten BV van Pajama Party. De overdracht dient schriftelijk aan Supper te worden bevestigd, inclusief de bedrijfsgegevens van de nieuwe BV.

(…)

Pajama Party betaalt € 750,- excl. 21% btw huur aan de Supperclub.
(…)
Cancelen

Indien het contract is getekend, is deze bindend. Indien de organisatie het evenement om welke reden dan ook niet door kan laten gaan of wilt verplaatsen, zal SC de minimale baromzet door berekenen aan de organisatie welke € 6.000,- incl. BTW bedraagt.
Annuleren of verplaatsen.
o
2 maanden voor aanvang van het event = 100% van de minimale besteding.
o
3 maanden en verder van te voren = 50% van de minimale besteding.

SC zal een factuur sturen naar de organisatie met het verschuldigde bedrag.

Het bedrag zal binnen 2 weken na bevestiging van het cancelen moeten worden betaald aan SC per bank.

Indien dit bedrag niet tijdig wordt betaald zal de factuur uit handen worden gegeven.
3.5.
Op 8 september 2025 schrijft een medewerkster van EURO AND A DREAM / EAAD B.V. aan Supperclub:

Beste [naam 2] , beste [naam 3] ,
Ik schrijf jullie namens team Pajama Party met helaas verdrietig nieuws. Door onvoorziene omstandigheden – waaronder een overlijden binnen ons team en meerdere privé-situaties – is het voor ons helaas niet haalbaar om het evenement op zondag 5 oktober door te laten gaan.
(…)
3.6.
Op 26 september 2025 stuurt Supperclub een factuur voor een bedrag van € 6.000 inclusief BTW aan [gedaagde partij] . Deze factuur vermeldt als vervaldatum “
10-10-2025” en heeft als omschrijving “
05-10-2025 – Cancellation fee – minimale baromzet garantie”.

4.Het geschil

4.1.
Supperclub vordert – samengevat – om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.838,51, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), subsidiair de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, en de proceskosten.
4.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Supperclub, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Supperclub, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Supperclub in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

[gedaagde partij] moet een vergoeding betalen wegens het annuleren van de Clubavond
5.1.
Supperclub voert aan dat zij een overeenkomst met [gedaagde partij] heeft gesloten voor het organiseren van drie clubavonden onder de naam ‘Pajama Party’ op 5 oktober, 2 november en 7 december 2025 (hierna: de Overeenkomst). Verder voert Supperclub aan dat [gedaagde partij] op grond van de Overeenkomst de minimale baromzet van € 6.000 inclusief BTW verschuldigd is bij annulering binnen twee maanden voordat het evenement plaatsvindt. [gedaagde partij] heeft op 8 september 2025 de clubavond van 5 oktober 2025 (hierna: de Clubavond) geannuleerd en daarom moet zij op grond van de Overeenkomst een bedrag van € 6.000 betalen, aldus Supperclub.
5.2.
Het betoog van [gedaagde partij] dat Supperclub de Overeenkomst niet met haar, maar met de eenmanszaak Pajama Party heeft gesloten, slaagt niet. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat hij de Overeenkomst namens [gedaagde partij] heeft ondertekend. Bovendien blijkt uit het app-bericht van juli 2025 dat [naam 1] ook daadwerkelijk de bedoeling had om [gedaagde partij] aan de Overeenkomst te binden. In dit app-bericht laat hij namelijk aan Supperclub weten dat [gedaagde partij] de contractspartij wordt. Dit betekent dat [gedaagde partij] aan de Overeenkomst en de daarin opgenomen annuleringsregeling gebonden is.
5.3.
Aan deze gebondenheid doet niet af dat volgens [gedaagde partij] de rechten op het concept ‘Pajama Party’ bij de eenmanszaak van [naam 4] (hierna: [naam 4] ) berusten. [gedaagde partij] voert namelijk niet aan dat zij de Clubavond zonder deze rechten niet kon organiseren. Bovendien zou deze omstandigheid voor risico van [gedaagde partij] zijn gekomen. Aan de gebondenheid van [gedaagde partij] aan de Overeenkomst doet evenmin af dat de Overeenkomst bepaalt dat deze “
overdraagbaar is aan een nieuw op te richten BV van Pajama Party”. [gedaagde partij] stelt zich namelijk niet op het standpunt dat de Overeenkomst daadwerkelijk aan een andere partij is overgedragen.
5.4.
Ook het betoog van [gedaagde partij] dat zij het bedrag van € 6.000 wegens overmacht niet hoeft te betalen slaagt niet. Volgens [gedaagde partij] heeft zij de Clubavond geannuleerd omdat een neef van [naam 4] zou zijn overleden en [naam 4] – die betrokken was bij de marketing van de Clubavond – daarom naar het buitenland moest reizen. De kantonrechter oordeelt echter dat deze omstandigheid voor rekening en risico van [gedaagde partij] komt. [1] [gedaagde partij] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd waarom [naam 4] niet in staat was om zijn taken uit te voeren en waarom deze taken niet door een medewerker van [gedaagde partij] of een andere externe medewerker konden worden overgenomen. Daarom is van overmacht geen sprake.
5.5.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde partij] op grond van de Overeenkomst een bedrag van € 6.000 aan Supperclub moet betalen.
Het bedrag dat [gedaagde partij] moet betalen wordt gematigd tot € 4.000
5.6.
[gedaagde partij] verzoekt de kantonrechter om het bedrag van € 6.000 te matigen tot nihil. Volgens haar leidt dit bedrag tot een onaanvaardbaar resultaat wegens de afwezigheid van aantoonbare schade, het ontbreken van exclusiviteitsafspraken en de vroege annulering.
5.7.
De annuleringsregeling in de Overeenkomst is een boetebeding in de zin van de wet. [2] Dit betekent dat de kantonrechter de boete kan matigen als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. [3] Het is echter niet toegestaan om minder toe te kennen dan de schadevergoeding die op grond van de wet verschuldigd zou zijn. Verder moet de bevoegdheid tot matiging terughoudend worden gehanteerd: matiging is alleen aan de orde als het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. [4] Het enkele uiteenlopen van schade en boete is onvoldoende grond voor matiging. [5]
5.8.
De kantonrechter oordeelt dat matiging van het te betalen bedrag tot € 4.000 op zijn plaats is.
5.9.
Bij dit oordeel legt veel gewicht in de schaal dat er een wanverhouding is tussen de schade en de hoogte van het te betalen bedrag. Ter zitting is namelijk komen vast te staan dat Supperclub in plaats van de Clubavond een diner heeft georganiseerd. Volgens Supperclub zou de omzet bij een diner ongeveer € 7.000 – € 8.000 en bij de Clubavond ongeveer € 4.000 – € 6.000 bedragen. De omzet die Supperclub bij het diner heeft gemaakt is dus vergelijkbaar met de omzet en huur die zij had gerealiseerd als de Clubavond wel was doorgegaan. Dit betekent dat Supperclub geen schade heeft geleden en daarom is er een wanverhouding met het te betalen bedrag van € 6.000.
5.10.
Daarnaast legt gewicht in de schaal dat het boetebeding een standaardclausule van Supperclub is waarover partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld. Bovendien is een bedrag van € 6.000 voor een kleine onderneming als [gedaagde partij] een fors bedrag.
5.11.
Op grond van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het bedrag van € 6.000 buitensporig en onaanvaardbaar is. Daarom matigt de kantonrechter dit bedrag tot € 4.000. Matiging tot een lager bedrag of tot nihil, zoals [gedaagde partij] vraagt, is niet aan de orde.
5.12.
De annuleringsregeling is namelijk ook bedoeld om te voorkomen dat evenementen lichtvaardig worden geannuleerd. De hoogte van de boete moet daarom voldoende afschrikwekkend zijn. En om diezelfde reden is het ook begrijpelijk dat de boete geldt ongeacht of Supperclub schade lijdt. Het ontbreken van schade en het ontbreken van exclusiviteit zijn dus geen reden om het te betalen bedrag verder te matigen. Verder is ook de gestelde vroegtijdige annulering geen reden voor verdere matiging. De Overeenkomst bepaalt dat 100% van de minimale baromzet verschuldigd is als de annulering minder dan twee maanden tevoren plaatsvindt. De kantonrechter vindt deze termijn niet onredelijk, waarbij hij in aanmerking neemt dat Supperclub ter zitting heeft verklaard dat de roosters voor personeel zes weken en voor beveiliging vier weken tevoren worden gemaakt.
De annuleringsregeling wordt niet volledig buiten toepassing gelaten
5.13.
Volgens [gedaagde partij] moet de annuleringsregeling buiten toepassing blijven omdat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en tot ongerechtvaardigde verrijking van Supperclub zou leiden. Zij legt hieraan dezelfde omstandigheden ten grondslag als aan haar verzoek tot matiging van de boete.
5.14.
De kantonrechter heeft deze omstandigheden echter al meegewogen in zijn oordeel dat het te betalen bedrag tot € 4.000 wordt gematigd. Daarom is de annuleringsregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar en leiden deze omstandigheden ook niet tot ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van Supperclub.
[gedaagde partij] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
5.15.
Supperclub vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Supperclub heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat [gedaagde partij] op dat moment in verzuim was. Supperclub heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De toegewezen hoofdsom bedraagt € 4.000 en daarom zal een bedrag van € 525 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
[gedaagde partij] moet de wettelijke (handels)rente betalen
5.16.
Supperclub maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW (althans de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over de hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten. Volgens Supperclub is de wettelijke handelsrente over de hoofdsom verschuldigd vanaf de vervaldatum van de factuur van 26 september 2025, te weten 10 oktober 2025. [gedaagde partij] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van wettelijke (handels)rente of de ingangsdatum daarvan.
5.17.
De Overeenkomst is een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. Daarom is over de hoofdsom wettelijke handelsrente verschuldigd. Deze rente is verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling [6] . In de annuleringsregeling is afgesproken dat betaling moet plaatsvinden ‘
binnen 2 weken na bevestiging van het cancelen’. De annulering heeft plaatsgevonden op 8 september 2025, dus dit zou betekenen dat de boete uiterlijk op 22 september 2025 moet worden betaald. Het gevolg hiervan zou zijn dat de rente eerder begint te lopen dan Supperclub vordert. Daarom zal de kantonrechter de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de gevorderde datum, te weten 10 oktober 2025.
5.18.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Artikel 6:119a BW geldt alleen voor de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. Dit artikel biedt daarom geen grondslag om wettelijke handelsrente over buitengerechtelijke incassokosten toe te kennen [7] . Wel is de wettelijke rente van art. 6:119 BW Pro toewijsbaar. Deze zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
De proceskosten
5.19.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Supperclub worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.551,65

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Supperclub te betalen een bedrag van € 4.000, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Supperclub te betalen een bedrag van € 525 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.551,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Lee en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:75 BW Pro.
2.Artikel 6:91 BW Pro.
3.Artikel 6:94, eerste lid, BW.
4.Hoge Raad van 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638 (Intrahof/Bart Smit), r.o. 5.3.
5.MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 325.
6.Artikel 6:119a, eerste lid, BW.
7.Hoge Raad van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:596