ECLI:NL:RBDHA:2026:19656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
Awb 26-1564
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning familie en gezin

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel familie en gezin, welke door de minister op 26 januari 2026 is afgewezen. Tegelijkertijd is een inreisverbod van twee jaar opgelegd, verwijzend naar een eerder terugkeerbesluit van 27 november 2023. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beslissing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.

De minister heeft op 7 juli 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek en stemde in met een beslissing buiten zitting. Verzoekster zag daarop af van een zitting en verzocht de rechtbank de zaak op de stukken af te doen. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en de belangen dat rechtvaardigen.

Omdat de minister geen bezwaar maakte en er geen andere beletselen waren, werd het verzoek toegewezen. Dit betekent dat verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden uitgezet totdat het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister het griffierecht aan verzoekster moet vergoeden, maar wees een proceskostenvergoeding af omdat verzoekster zelf het verzoekschrift en de motivering had ingediend en de gemachtigde pas later was betrokken.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst de uitzetting van verzoekster en haar minderjarige zoon totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: Awb 26/1564

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

mede namens haar minderjarige zoon,V-nummer: [nummer],(gemachtigde: mr. A.A. Agayev),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D. Post).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 26 januari 2026 de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Aan verzoekster is daarbij, met verwijzing naar het op 27 november 2023 opgelegde terugkeerbesluit, een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen om de behandeling van het bezwaar in Nederland te mogen afwachten.
1.3.
De minister heeft op 7 juli 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek en geeft toestemming de zaak buiten zitting af te doen. Verzoekster heeft op 8 juli 2026 aangegeven af te zien van de zitting en de rechtbank verzocht de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb [1] kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Omdat de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster en haar minderjarige zoon niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
3.1.
De voorzieningenrechter kent geen proceskostenvergoeding toe. Verzoekster heeft namelijk zelf het verzoekschrift en een nadere motivering ingediend. De gemachtigde heeft zich pas daarna gesteld. Dit maakt dat de gemachtigde geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Bpb [2] in aanmerking komen voor vergoeding. [3]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra – van der Veen, griffier, op 16 juli 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.
3.Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:92), r.o. 4.1.