ECLI:NL:RVS:2022:92
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit verblijfsvergunning wegens zorgvuldigheidsgebrek
De vreemdeling, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, kreeg deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 1 maart 2019 nadat haar relatie met haar Nederlandse partner was verbroken. De staatssecretaris had de vreemdeling niet voorafgaand aan het intrekkingsbesluit in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven, wat door de rechtbank als een zorgvuldigheidsgebrek werd aangemerkt. De rechtbank passeerde dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro omdat zij oordeelde dat de vreemdeling niet in haar belangen was geschaad.
De Raad van State oordeelt anders en stelt vast dat de vreemdeling wel degelijk in haar belangen is geschaad door het zorgvuldigheidsgebrek, omdat de intrekking met terugwerkende kracht leidde tot een onderbreking van haar rechtmatig verblijf en daarmee tot het opnieuw laten beginnen van de termijn voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Tevens is vastgesteld dat de vreemdeling niet in bezwaar is gehoord, waardoor het gebrek niet kon worden hersteld.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende voor het aanvullend beroepschrift, omdat volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht hiervoor eenmaal een punt wordt toegekend ongeacht het aantal ingediende beroepsgronden.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het besluit van de staatssecretaris van 28 januari 2020 wordt eveneens vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.