ECLI:NL:RBDHA:2026:19664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.27763 en NL26.27764
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Zweden

Eiser, een Libanese asielzoeker, diende op 15 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij niet tijdig was geïnformeerd over het gehoor en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege tekortkomingen in het Zweedse asiel- en opvangsysteem.

De rechtbank stelde vast dat eiser driemaal was uitgenodigd voor het Dublingehoor, maar zonder geldige reden niet verscheen. Hierdoor is het besluit niet onzorgvuldig voorbereid. Ook is eiser niet in staat gebleken aannemelijk te maken dat hij in Zweden geen opvang kan krijgen of dat er sprake is van een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

Verder oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een uitzondering op de overdracht aan Zweden rechtvaardigen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Zweden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.27763 en NL26.27764
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
15 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Zweden ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 22 juni 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.27764) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Libanese nationaliteit. Op 15 maart 2026 heeft eiser in Nederland asiel gevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Zweden asiel heeft aangevraagd. Zweden is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat hij niet tijdig is geïnformeerd over de uitnodiging voor een gehoor, waardoor hij zijn bezwaren voor een overdracht aan Zweden niet heeft kunnen toelichten. Hij voert verder aan dat in het geval van Zweden niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat hij daar (volgens zijn advocaat in Zweden) geen opvang of accommodatie kan krijgen. Ook stelt hij schulden te hebben in Zweden en zitten er mensen achter hem aan. Tot slot voert eiser aan dat verweerder de asielaanvraag aan zich moest trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Aanmeldgehoor
6. De rechtbank stelt vast dat er zich in het dossier drie rapporten ‘niet verschijnen voor het gehoor’ bevinden. In het rapport van 24 maart 2026 staat dat eiser is uitgenodigd om zich op 24 maart 2026 om 09:00 uur te melden in Ter Apel, maar dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar heeft gemaakt. In het rapport van 29 maart 2026 staat dat eiser is uitgenodigd om zich op 29 maart 2026 om 08:30 uur te melden in Ter Apel, maar dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar heeft gemaakt. In het rapport van 22 april 2026 staat dat eiser is uitgenodigd om zich op 22 april 2026 om 09:00 uur te melden in Ter Apel, maar dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar heeft gemaakt.
6.1.
Met de zich in het dossier bevindende stukken en de toelichting van verweerder ter zitting heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser driemaal is uitgenodigd voor het Dublingehoor. Eisers stelling dat hij niet tijdig is uitgenodigd volgt de rechtbank niet. Nu verweerder eiser driemaal heeft uitgenodigd voor het Dublingehoor, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn in artikel 5 van Pro de Dublinverordening neergelegde verplichting tot het arrangeren van een persoonlijk onderhoud. Dat eiser tot drie keer toe, en zonder daarvoor een goede reden te geven, niet op het Dublingehoor is verschenen, komt voor zijn rekening en risico. Dat er geen Dublingehoor heeft plaatsgevonden maakt in dit geval dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ook in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over de voorgenomen overdracht aan Zweden, van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt. Verder was eiser niet aanwezig op zitting om een en ander nader toe te lichten.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Zweden een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [3] of artikel 4 van Pro het Handvest. [4] Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat deze drempel is bereikt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juni 2025 [5] geoordeeld dat ten aanzien van Zweden nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het AIDA-rapport van mei 2025 niet worden afgeleid dat er in Zweden zodanige problemen zijn met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dat er sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen aanspraak kan maken op de Zweedse opvang- of zorgvoorzieningen. De enkele stelling van zijn advocaat uit Zweden is hiervoor onvoldoende. Daarnaast staat voor eiser de weg open om in Zweden een opvolgende asielaanvraag in te dienen waardoor hij weer in de asielprocedure terecht kan komen en weer aanspraak kan maken op de volledige opvangvoorzieningen. [6] De Zweedse autoriteiten hebben met het claimakkoord immers gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen.
7.2.
Met betrekking tot de verklaringen van eiser dat hij in Zweden schulden heeft en er daar mensen achter hem aan zitten, oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de Zweedse autoriteiten eiser hiermee niet kunnen helpen. Van eiser mag verwacht worden dat indien hij problemen ondervindt in de Zweedse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, hij zich hierover beklaagt bij de (hogere) Zweedse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
8. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Zweden van een onevenredige hardheid getuigt. De door eiser genoemde omstandigheden met betrekking tot zijn schulden en mensen die achter hem aanzitten in Zweden, zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen en tevens onvoldoende onderbouwd. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 7.2. heeft overwogen, kan eiser hiervoor – indien nodig – hulp zoeken bij de Zweedse autoriteiten middels het doen van aangifte.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Zweden ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
10. Nu beslist wordt op het beroep en er geen connexiteit [7] meer is, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Zie ook pagina 91 van het AIDA-rapport.
7.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.