ECLI:NL:RBDHA:2026:19664
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Zweden
Eiser, een Libanese asielzoeker, diende op 15 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij niet tijdig was geïnformeerd over het gehoor en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege tekortkomingen in het Zweedse asiel- en opvangsysteem.
De rechtbank stelde vast dat eiser driemaal was uitgenodigd voor het Dublingehoor, maar zonder geldige reden niet verscheen. Hierdoor is het besluit niet onzorgvuldig voorbereid. Ook is eiser niet in staat gebleken aannemelijk te maken dat hij in Zweden geen opvang kan krijgen of dat er sprake is van een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een uitzondering op de overdracht aan Zweden rechtvaardigen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Zweden wordt ongegrond verklaard.