ECLI:NL:RBDHA:2026:19668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38426
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 VwArt. 8:42 AwbVreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 30 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is verlengd met maximaal drie maanden na afwijzing van zijn asielaanvraag op 1 mei 2026. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf het moment van de laatste rechterlijke beoordeling op 17 april 2026. Hoewel verweerder erkende dat eerder geen tijdige kennisgeving aan de rechtbank was gestuurd, oordeelde de rechtbank dat dit de ambtshalve toetsing binnen de wettelijke termijn van 90 dagen niet belemmert. De verlenging van de bewaring is gebaseerd op de geldende wettelijke bepalingen en is tot uiterlijk 1 augustus 2026 rechtmatig.

Eiser stelde dat verweerder niet voortvarend handelt omdat de mondelinge behandeling van het asielberoep pas op 11 augustus 2026 gepland staat en er geen verzoek tot vervroeging is gedaan. De rechtbank verwierp dit en benadrukte dat het aan de bestuursrechter is om voortvarend te beslissen en dat verweerder gehouden is de bewaring te beëindigen zodra de voorwaarden niet meer gelden.

Verder oordeelde de rechtbank dat het dossier voldoende informatie bevat om op het beroep te beslissen en dat de gevraagde inzage in de Laissez-passer aanvraag niet relevant is voor de beoordeling van de voortvarendheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38426

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] (oud) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Verweerder heeft de bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw (oud) verlengd met ten hoogste drie maanden.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Desgevraagd heeft verweerder op 15 juli 2026 een verweerschrift ingediend. Eveneens op deze datum heeft verweerder de rechtbank van het voortduren van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Nu eiser zelf beroep heeft ingesteld wordt de kennisgeving niet aangemerkt als een afzonderlijk beroep.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 16 juli 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18840) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bedoelde uitspraak weliswaar vernietigd, maar het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van het onderzoek door de rechtbank op 17 april 2026.
4. De rechtbank stelt vast dat sinds de laatste rechterlijke beoordeling van de bewaring niet meer dan 90 dagen zijn verstreken. Verweerder heeft in reactie op het beroep erkend dat eerder ten onrechte geen kennisgeving is gestuurd aan de rechtbank, maar verweerder stelt terecht dat dit niet in de weg staat aan de vereiste ambtshalve toetsing van de bewaring binnen de genoemde termijn van 90 dagen. Anders dan verweerder veronderstelt, dient deze termijn echter te worden berekend vanaf de datum van het sluiten van het onderzoek in de laatste rechterlijke procedure. Dat betekent dat het voortduren van bewaring in dit geval uiterlijk vandaag moet plaatsvinden. Dat verweerder niet binnen de door hem aangehouden termijn van 68 dagen na de laatste rechterlijke beoordeling een kennisgeving heeft gestuurd, doet er niet aan af dat thans naar aanleiding van het beroep van eiser een tijdige ambtshalve beoordeling plaatsvindt van de vrijheidsbeneming.
5. De rechtbank ziet evenmin een grond aanwezig om het voortduren van de maatregel op een eerder moment onrechtmatig te achten. De bewaring is gebaseerd op artikel 59b, derde lid van de Vw (oud) en is na de afwijzing van eisers asielaanvraag bij besluit van 1 mei 2026 verlengd voor een periode van maximaal drie maanden, dus tot 1 augustus 2026. Eiser heeft beroep ingesteld tegen bedoelde afwijzing en heeft daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Eiser wijst erop dat de mondelinge behandeling van het asielberoep eerst is voorzien op 11 augustus 2026 en dat verweerder niet heeft gevraagd om de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening naar voren te halen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn gevolgtrekking dat verweerder aldus niet voldoende voortvarend handelt. Het is de zelfstandige verantwoordelijkheid van de bestuursrechter om voortvarend te beslissen op het beroep en het daaraan connexe verzoek en zich daarbij rekenschap te geven van de gelijktijdige bewaring van de vreemdeling. Verweerder is op zijn beurt gehouden om de bewaring te beëindigen zodra niet langer wordt voldaan aan de in artikel 59b, derde lid, van de Vw (oud) genoemde toepassingsvoorwaarden. De enkele omstandigheid dat verweerder niet uitdrukkelijk bij de bestuursrechter aandringt op spoedige een beslissing, betekent niet dat gesproken kan worden van onvoldoende voortvarend handelen aan de zijde van verweerder.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier de informatie bevat die nodig is om op het beroep te kunnen beslissen. Voor zover eiser stelt dat hij inzage wenst in de voor hem verzonden aanvraag voor een Laissez-passer (LP), geldt dat gezien de rechtsgrondslag voor de bewaring de voortvarendheid waarmee verweerder werkt aan het vertrek van eiser (nog) niet ter beoordeling voorligt. Dat eiser zegt te willen nagaan of bij de LP-aanvraag ook een kopie is meegezonden van zijn identiteitsdocument, betekent dan ook niet dat, zoals eiser stelt, de LP-aanvraag moet worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb [2] .
7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. Het beroep zal om die reden ongegrond worden verklaard en het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen. Evenmin is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.