Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 30 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is verlengd met maximaal drie maanden na afwijzing van zijn asielaanvraag op 1 mei 2026. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf het moment van de laatste rechterlijke beoordeling op 17 april 2026. Hoewel verweerder erkende dat eerder geen tijdige kennisgeving aan de rechtbank was gestuurd, oordeelde de rechtbank dat dit de ambtshalve toetsing binnen de wettelijke termijn van 90 dagen niet belemmert. De verlenging van de bewaring is gebaseerd op de geldende wettelijke bepalingen en is tot uiterlijk 1 augustus 2026 rechtmatig.
Eiser stelde dat verweerder niet voortvarend handelt omdat de mondelinge behandeling van het asielberoep pas op 11 augustus 2026 gepland staat en er geen verzoek tot vervroeging is gedaan. De rechtbank verwierp dit en benadrukte dat het aan de bestuursrechter is om voortvarend te beslissen en dat verweerder gehouden is de bewaring te beëindigen zodra de voorwaarden niet meer gelden.
Verder oordeelde de rechtbank dat het dossier voldoende informatie bevat om op het beroep te beslissen en dat de gevraagde inzage in de Laissez-passer aanvraag niet relevant is voor de beoordeling van de voortvarendheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.