ECLI:NL:RBDHA:2026:19686
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vernietiging erkenning vaderchap wegens onmogelijkheid bewijs biologische vaderschap
De moeder verzocht de rechtbank om de erkenning van het vaderschap door de man van haar minderjarige kind te vernietigen. De man, erkend als juridische vader, is niet verschenen en verblijft op een onbekende verblijfplaats in het buitenland. De moeder kan niet bewijzen dat de man niet de biologische vader is, maar wil de erkenning laten vernietigen omdat het kind hem niet kent en niet zijn achternaam wil dragen.
De bijzondere curator, benoemd om het belang van het kind te behartigen, heeft zelfstandig verzocht om vernietiging van de erkenning. De rechtbank oordeelt dat de moeder niet ontvankelijk is omdat zij niet kan aantonen dat de man niet de biologische vader is, maar de bijzondere curator wel ontvankelijk is.
Hoewel niet onomstotelijk is vastgesteld dat de man niet de biologische vader is, acht de rechtbank afwijzing van het verzoek in strijd met het recht van het kind op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro). Daarom wordt het verzoek van de bijzondere curator toegewezen en wordt de erkenning vernietigd. Het kind staat daarna alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder en draagt haar achternaam.
De werkzaamheden van de bijzondere curator worden hiermee beëindigd. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen vanwege de aard van de zaak.
Uitkomst: De erkenning van het vaderschap wordt vernietigd omdat niet is aangetoond dat de erkenner de biologische vader is, maar afwijzing zou het recht van het kind op privé- en gezinsleven schenden.