AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep schriftelijk en sloot het onderzoek op 26 januari 2026.
Eiser voerde aan dat zijn psychische problemen onvoldoende zijn betrokken bij de belangenafweging en dat de medische zorg in detentie ontoereikend is. Daarnaast stelde hij dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede vanwege ontbrekende documenten in het dossier. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had gewezen op de medische voorzieningen en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat deze onvoldoende zijn.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voldoende had gemotiveerd dat er zicht is op uitzetting, mede door de bevestiging van de Algerijnse nationaliteit en toezegging van een laissez-passer. De rechtbank vond geen onrechtmatigheid in de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 22 januari 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 januari 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Belangenafweging
4. Eiser stelt dat zijn belangen onvoldoende door de minister zijn betrokken in de maatregel van bewaring. Eiser heeft psychische problemen en zijn detentie verergerd deze problemen. Hierdoor is hij geschokt en in de war. De enkele verwijzing in de maatregel naar de medische zorg in het detentiecentrum is onvoldoende.
5. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid die eiser aanvoert in het kader van de belangenafweging geen aanleiding is om de bewaring op te heffen. De minister heeft gelet op eisers psychische problemen terecht gewezen op de medische voorzieningen in het detentiecentrum. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze voorzieningen ontoereikend of onvoldoende voor hem zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
6. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Het dossier is niet compleet omdat documenten over eerdere detenties ontbreken. Ook de nationaliteitsverklaring van 24 oktober 2025 ontbreekt in het dossier. Door het ontbreken van deze documenten valt niet te beoordelen of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Eiser heeft niet gesteld waarom de processtukken van de eerdere bewaringen relevant zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de huidige maatregel. De vorige maatregel van bewaring is blijkens het M113-formulier op 3 oktober 2025 opgeheven na een belangenafweging. Ook de maatregel daarvoor is om die reden opgeheven.1 Hoewel er daarom geen nieuwe feiten en omstandigheden nodig zijn om een nieuwe bewaring te rechtvaardigen, zijn die er wel. Op 24 oktober 2025 hebben de Algerijnse autoriteiten namelijk de nationaliteit van eiser bevestigd en een toezegging gedaan dat een laissez-passer zal worden afgegeven. De
rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen, te minder nu de minister heeft aangegeven dat een vlucht voor eiser is bevestigd op 12 februari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.