Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:1975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11430804 RP VERZ 24-50701
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 7:611 BWArt. 7:673 BWArt. 7:671 BWArt. 7:671a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Transitievergoeding toegekend na opzegging arbeidsovereenkomst zonder UWV-toestemming, overige vorderingen afgewezen

Verzoeker was werkzaam bij de Drug Enforcement Administration (DEA) in Turkije en Nederland. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid werd zijn arbeidsovereenkomst door de Verenigde Staten (VS) opgezegd zonder toestemming van het UWV. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap, waardoor de transitievergoeding over de volledige arbeidsperiode moet worden berekend op basis van salarisschaal FSN-9.

Verzoeker vorderde daarnaast een billijke vergoeding wegens het ontbreken van UWV-toestemming en ernstig verwijtbaar handelen, maar deze vergoeding werd op nihil gesteld omdat het ontbreken van toestemming financieel geen verschil maakte. Vorderingen tot betaling van achterstallig loon, beschikbaarheidstoelage, gevarentoelage en overuren werden afgewezen vanwege verjaring, onvoldoende onderbouwing of schending van klachtplicht.

Ook de vorderingen op grond van werkgeversaansprakelijkheid wegens schending van de zorgplicht en goed werkgeverschap werden afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de strafrechtelijke normen omtrent bijzondere opsporingsmiddelen niet strekken tot bescherming van werknemers tegen gevaarlijk werk in de zin van artikel 7:658 BW Pro. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de Verenigde Staten tot betaling van transitievergoeding over het gehele dienstverband en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
PV/d
Zaaknummer / rekestnummer: 11430804 \ RP VERZ 24-50701
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van
[verzoekende partij],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde (thans): mr. J. van der Voet,
tegen
de soevereine staat
de Verenigde Staten van Amerika,
kantoorhoudende te Washington (Washington DC),
verwerende partij,
hierna te noemen: de VS,
gemachtigden: mrs. L.J. Böhmer, K.K. Bink en L.R. Keuben.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 29 november 2024;
  • de akte houdende wijziging verzoek van [verzoekende partij] met producties 1 tot en met 33;
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 10;
  • de aanvullende producties 34 tot en met 40 van [verzoekende partij] ;
  • de diplomatie notitie NV 085-25 van 14 november 2025 van de VS;
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 27 november 2025 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.

2.De feiten

2.1.
[verzoekende partij] is op 18 augustus 2003 in dienst getreden bij de VS. Hij verrichte werkzaamheden op het consulaat van de VS in [plaats] , [land] . In september 2005 is hij van functie gewisseld en begonnen als [functie 1] bij de Drug Enforcement Administration (DEA) van de VS. Deze functie was ingeschaald in salarisschaal FSN-10 en had als klasse 705. [verzoekende partij] ontving voor de werkzaamheden in deze functie een beschikbaarheidstoelage van 25% bovenop zijn salaris.
2.2.
Volgens de functiebeschrijving van [functie 1] bestonden de werkzaamheden uit het volgende:
-
Investigative/operational support(circa 80%).
Hieronder viel onder meer het uitvoeren van lokale onderzoekingen (
record inquires) om informatie te verkrijgen of te verifiëren over bedrijven die verdacht worden van betrokkenheid bij drugsgerelateerde activiteiten, het uitvoeren van surveillance op personen en locaties die verdacht worden van betrokkenheid bij drugshandel, het deelnemen aan debriefings met informatiebronnen om druggerelateerde informatie te verkrijgen, het werken undercover om bewijsmateriaal te verzamelen ter bevordering van drugsonderzoeken, het opstellen van schriftelijke samenvattingen van onderzoeksresultaten en observaties voor gebruik door DEA-agenten, het beoordelen en verzamelen van drugsgerelateerde informatie uit lokale publicaties, het incidenteel reizen naar andere steden in [land] en naar andere landen om toezicht te houden en andere operationele taken uit te voeren ter bevordering van gezamenlijke onderzoeken met het gastland, het zorgen voor het vervoer van aankomend en vertrekkend DEA-personeel en het onderhouden van persoonlijke contacten (
liaison) met hooggeplaatste leden van Turkse wethandhavingsautoriteiten ter ondersteuning van de doelstellingen van de DEA.
-
Security(circa 20%).
Hieronder viel het bieden van beveiliging aan DEA-functionarissen en -agenten, zowel voorafgaand aan als tijdens ontmoetingen met personen en groepen die betrokken waren bij drugshandel.
2.3.
[verzoekende partij] heeft sinds 2016 vier permanente protheses in zijn nekwervel.
2.4.
[verzoekende partij] is kort na de arrestatie op 27 september 2017 in [land] van een collega die hetzelfde werk als hij deed samen met zijn echtgenote en kind naar Nederland vertrokken.
2.5.
De VS heeft [verzoekende partij] bij brief van 22 november 2017 aangeboden om per 26 november 2017 in dienst te treden bij de ambassade van de VS in Den Haag als [functie 2] , klasse 705. Het betrof een functie die op dat moment nog niet in Nederland bestond en speciaal voor [verzoekende partij] was gecreëerd. In de aanbiedingsbrief is onder meer het volgende opgenomen:
“(…) I am pleased to extend to you a formal offer of employment for the position of [functie 2] , grade FSN 9. This appointment is under priority placement due to exigent circumstance form your current position (…) at U.S. Consulate General [plaats] to the newly established position at U.S. Embassy The Hague (…). Because your previous position at U.S. Consulate General [plaats] was grade FSN 10 (…) you are being involuntarily downgraded and entitled to grade retention as outlined in 3 FAM 7390. (…)”
2.6.
In het kader van de
grade retentionzou [verzoekende partij] , vanwege de indeling van zijn nieuwe functie in salarisschaal FSN-9, gedurende 52 weken het salaris behorend bij salarisschaal FSN-10 blijven ontvangen. Daarna zou hij geleidelijk het salaris behorend bij salarisschaal FSN-9 gaan ontvangen, doordat loonverhogingen telkens voor 50% zouden worden doorgevoerd.
2.7.
[verzoekende partij] heeft het aanbod van de VS op 25 november 2017 geaccepteerd door ondertekening van de brief. In verband met het einde van het dienstverband bij het consulaat in [plaats] heeft de VS aan [verzoekende partij] een vergoeding uitgekeerd in [valuta] .
2.8.
[verzoekende partij] en de VS hebben op 27 november 2017 een arbeidsovereenkomst gesloten. In deze arbeidsovereenkomst wordt [verzoekende partij] aangeduid als Locally Employed (LE) Staff. In de arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald dat het Local Compensation Plan voor Nederland (LCP) een integraal onderdeel vormt van de arbeidsovereenkomst. In hoofdstuk 5 van het LCP (versie 22 november 2020) is, voor zover relevant, het volgende bepaald:
“(…) Overtime may be compensated by straight time off or, at the discretion of the authorizing officer, by premium pay (…)
On Call Duty Pay:
1. DEFINITION
On-Call Duty is the term used for the period of time, outside of scheduled work hours, during which employees are required to remain available by telephone or beeper to respond to emergency calls or other calls deemed vital to the needs of the Mission.
A. Maintenance Duty Personnel: The employee must be available to respond to any maintenance emergency within 15 minutes by telephone and within the hour in person. (…)
Ambassador’s Duty Driver: The employee must be available to respond to the Ambassador’s request for driver within 15 minutes by telephone and within the hour in person. (…)
Health Unit Duty Personnel: The employee must be available to respond to any health emergency within 15 minutes by telephone and within the hour in person. (…)
Other Personnel: Other employees may be required to carry a cellular phone on a temporary or periodic basis. They may be eligible for on- call duty pay. Eligibility for on-call duty pay must be approved in writing by the Counselor of Embassy for Administrative Affairs. (…)”
2.9.
Volgens de functiebeschrijving van [functie 2] bestonden de werkzaamheden uit het volgende:
-
Liaison(circa 30%).
Hieronder viel onder meer het voeren van overleg met lokale wetshandhavingsautoriteiten en bedrijven ter bevordering van DEA-missies, het coördineren en analyseren van operationele details en het bieden van trainingsondersteuning in samenwerking met DEA-personeel.
-
Investigation development(circa 30%).
Hieronder viel onder meer het monitoren en debriefen van informatiebronnen en het deelnemen aan gesprekken met deze bronnen ter bevordering van drugsonderzoeken, het, indien nodig, uitvoeren van surveillance op personen en locaties die verdacht worden van betrokkenheid bij drugshandel, het werken undercover om bewijsmateriaal te verzamelen ter bevordering van drugsonderzoeken en het uitvoeren van financiële analyses en het geven van financiële begeleiding met betrekking tot Nederlandse financiële en drugswetgeving in relatie tot drugs- en witwasonderzoeken.
-
Report writing and translation(circa 10%).
Hieronder viel onder meer het volledig voorbereiden van debriefings van informatiebronnen.
-
Travel(circa 10%).
Hieronder viel het reizen door Nederland, Europa en de VS ter ondersteuning van de missie van DEA.
-
Other miscellaneous duties(circa 10%).
Hieronder viel onder meer het ophalen en afzetten van DEA-medewerkers.
-
Record inquiries(circa 10%).
Hieronder viel onder meer het uitvoeren van lokale onderzoekingen om informatie te verkrijgen of te verifiëren over bedrijven die verdacht worden van betrokkenheid bij drugsgerelateerde activiteiten.
2.10.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS heeft een Foreign Affairs Manual (FAM) uitgegeven, waarin onder meer richtlijnen zijn opgenomen met betrekking tot personeelsbeleid. In de FAM staan, voor zover hier van belang, de volgende regelingen:
3 FAM 7550 –
Premium Compensation.Deze regeling geldt alleen voor lokaal aangeworven personeel. In 3 FAM 7558.2 is het volgende bepaald:
“3 FAM 7558.2 Standby Duty
a. Standby duty is a state of readiness to immediately answer a call to work outside of basis workweek hours. The employee’s whereabouts are narrowly limited and activities are substantially reduced. The employee mag not leave the duty station except in an emergency.
b. Premium pay for standby duty is based on local law and locally prevailing practice. When relevant local law provides for a standby duty premium but does not specify the amount, and there is insufficient data on locally prevailing practice, the Department will authorize up to a 25% standby duty payment. (…)”
3 FAM 3270 –
Danger Pay Allowance.Deze regeling is van toepassing op medewerkers van de buitenlandse dienst en ambtenaren. In 3 FAM 3272.1, 3 FAM 3275 en 3 FAM 3277.1 is het volgende bepaald:
“3 FAM 3272.1 Scope
a. The danger pay allowance is designed to provide additional compensation in addition to basic compensation to all U.S. government civilian employees, including Chiefs of Mission, for service at places in foreign areas where there exist conditions of civil insurrection, civil war, terrorism or war, when these conditions threaten physical harm or imminent danger to the health or well-being of an employee. (…)
3 FAM 3275 POLICY
(…)
a. Danger pay may be authorized at posts where civil insurrection, civil war, terrorism, or wartime conditions threaten physical harm or imminent danger to the health or well-being of employees. It will normally be granted at posts where the evacuation of family members and/or nonessential personnel has been authorized or ordered, or at posts at which family members are not permitted. (…)
3 FAM 3277.1 Percentage and Amount
(…)
a. The danger pay allowance must be granted at the 15, 25, and 35 percent rates, based on the level of danger and the presence of non-essential personnel and dependents at post. (…)”
2.11.
[collega] (hierna: [collega] ), Special Agent en collega van [verzoekende partij] bij de ambassade in Den Haag, is op of omstreeks 6 mei 2019 haar evenwicht verloren en ten val gekomen. Dit gebeurde tijdens een van de keren dat [verzoekende partij] haar kwam ophalen.
2.12.
[verzoekende partij] heeft [collega] op 11 juni 2019 per WhatsApp laten weten dat hij ernstige nekpijn ervaart.
2.13.
De VS heeft per 1 april 2021 de WIA-excedentverzekering opgezegd die hij op 26 november 2017 bij Aegon had afgesloten in het kader van de toen geldende pensioenregeling voor de Nederlandse LE Staff. De opzegging hield verband met de overstap in januari 2020 naar een nieuwe pensioenregeling.
2.14.
[verzoekende partij] heeft op 18 oktober 2021 een gesprek gevoerd met zijn leidinggevende, de heer [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ). Tijdens dit gesprek heeft [verzoekende partij] aangegeven dat zijn salaris, als gevolg van de indeling in FSN-9, onjuist zou zijn en dat hij recht heeft op bepaalde toelagen. Aan het einde van het gesprek heeft [verzoekende partij] een paniekaanval gekregen. De daaropvolgende dag, op 19 oktober 2021, heeft [verzoekende partij] zich ziekgemeld.
2.15.
[verzoekende partij] heeft in november en december 2021 een psycholoog bezocht. De psycholoog heeft naar aanleiding daarvan gerapporteerd dat de door [verzoekende partij] ervaren klachten zich lijken te manifesteren in een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een behandelplan voorgesteld. [verzoekende partij] heeft vervolgens meerdere EMDR-behandelingen ondergaan.
2.16.
De bedrijfsarts heeft op 9 december 2021 een probleemanalyse opgesteld. Daarin heeft de bedrijfsarts opgenomen dat [verzoekende partij] tijdelijk niet de eigen of aangepaste werkzaamheden kan verrichten, door beperkingen in energie, fysiek uithoudingsvermogen en persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast is vermeld dat werkgerelateerde factoren niet hebben bijgedragen aan het verzuim.
2.17.
[verzoekende partij] heeft op 15 augustus 2022 de bedrijfsarts bezocht. In de naar aanleiding van dit consult opgemaakte aantekeningen is vermeld dat [verzoekende partij] in 2019 gedurende een periode meer taken heeft verricht dan in zijn functieomschrijving was opgenomen, doordat hij als een soort persoonlijk begeleider van een collega [bedoeld is [collega] , toev. ktr.] fungeerde, onder meer door het doen van boodschappen. Verder is genoteerd dat [verzoekende partij] sinds die tijd maandelijks een manueel therapeut bezoekt in verband met nekklachten.
2.18.
[verzoekende partij] heeft in december 2022 voor het laatst de psycholoog bezocht. In het eindrapport heeft de psycholoog opgenomen dat [verzoekende partij] is verwezen vanwege klachten passend bij een PTSS ten gevolge van werkgerelateerde gebeurtenissen. Tevens heeft de psycholoog gerapporteerd dat de EMDR-behandeling positieve effecten lijkt te hebben gehad op de vermindering van de traumaklachten, maar dat [verzoekende partij] nog steeds diverse fysieke klachten ervaart, waaronder beperkingen in de nekregio. Volgens de psycholoog lijken de werkzaamheden die [verzoekende partij] na de nekoperatie heeft moeten verrichten deze beperkingen te hebben verergerd.
2.19.
De VS heeft verzocht om een arbeidsdeskundige beoordeling van de re-integratiemogelijkheden van [verzoekende partij] door Ergomotion. De bevindingen van dit arbeidsdeskundig onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 december 2022. Uit het onderzoek is volgens de rapportage naar voren gekomen dat het eigen werk van [verzoekende partij] niet passend is en ook niet passend kan worden gemaakt, anders dan met een re-integratieschema. Voorts is vastgesteld dat binnen de ambassade in Den Haag geen andere passende functies of werkzaamheden voor [verzoekende partij] beschikbaar zijn en dat hij is aangewezen op re-integratie in ander werk bij een andere werkgever (spoor 2).
2.20.
[verzoekende partij] heeft op 13 februari 2023 opnieuw een consult gehad bij de bedrijfsarts. Naar aanleiding van dit consult heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [verzoekende partij] de behandelingen voor PTSS heeft afgerond en alleen nog manuele therapie volgt vanwege zijn nekklachten.
2.21.
De bedrijfsarts heeft op 29 mei 2023 een eindrapport uitgebracht. Daarin heeft de bedrijfsarts de medische situatie van [verzoekende partij] tot dat moment als volgt samengevat:
“(…) Sinds 19-10-2021 verzuim i.v.m. beperkingen in energie, fysiek uithoudingsvermogen, persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en dynamische handelingen. Klachten meest passend bij PTSS. Werkgerelateerde factoren hebben mede bijgedragen aan het verzuim. Werknemer heeft adequate behandeling gezocht in de curatieve sector, bij een psycholoog, psychiater, fysiotherapeut en manueel therapeut. Werknemer heeft een langdurig EMDR traject ondergaan, waarna een afname in bovengenoemde beperkingen, behoudens de beperkingen in dynamische handelingen, waarvoor werknemer nog steeds fysiotherapie heeft. (…)”
2.22.
Aan het einde van het tweede ziektejaar heeft [verzoekende partij] een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft op 22 augustus 2023 aan de VS een loondoorbetalingssanctie opgelegd tot 15 oktober 2024, omdat de VS niet alle re-integratiedocumenten had aangeleverd. De aanvraag voor een WIA-uitkering is daarom niet in behandeling genomen.
2.23.
De VS heeft op 29 februari 2024 aan het UWV doorgegeven dat hij inmiddels voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van [verzoekende partij] en de gevraagde documenten aangeleverd. Dit heeft geleid tot de beslissing van het UWV om de loonbetalingsverplichting te verkorten tot en met 16 april 2024.
2.24.
De VS heeft op 26 april 2024 per brief aan [verzoekende partij] aangekondigd dat de betaling van het salaris wordt stopgezet.
2.25.
Bij beslissing van 17 juni 2024 heeft het UWV [verzoekende partij] met ingang van 17 april 2024 een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,41%. In het arbeidsdeskundig rapport van 14 juni 2024 van de WIA-beoordeling staat dat [verzoekende partij] zijn eigen werk niet meer kan verrichten. Volgens het rapport is [verzoekende partij] vanwege bestaande nekklachten beperkt te achten ten aanzien van fysiek zwaar werk en bovenmatige nekbelasting. De theoretische verdiencapaciteit is vastgesteld op een uurloon van € 17,47.
2.26.
De VS heeft bij brief van 27 juni 2024 de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] opgezegd per 1 oktober 2024.
2.27.
Na uitdiensttreding heeft de VS op 25 oktober 2024 € 36.531,- bruto aan [verzoekende partij] uitbetaald.

3.De verzoeken en de verweren

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt, na wijziging (verkort en anders weergegeven):
I. de VS te veroordelen tot betaling van:
  • de transitievergoeding van € 65.004,13 bruto, dan wel € 58.455,49 bruto;
  • een billijke vergoeding van € 116.552,79 bruto;
II. de VS te veroordelen tot betaling van:
  • achterstallig salaris ter hoogte van € 27.725,- bruto;
  • achterstallige beschikbaarheidstoelage ter hoogte van € 93.011,50 bruto;
  • achterstallige gevarentoelage ter hoogte van € 130.216,10 bruto,
  • achterstallige overuren ter hoogte van € 94.323,15 bruto;
te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de datum van beschikking;
III. te verklaren voor recht dat er sprake is van werkgeversaansprakelijkheid en de VS te veroordelen tot betaling van:
  • een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en een voorschot op die schadevergoeding van € 5.000,- netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van beschikking;
  • een schadevergoeding voor de opzegging van de WIA-excedentverzekering van € 93.440,-;
IV. de VS te veroordelen tot betaling van:
  • de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 4.901,36 bruto;
  • de werkelijke proceskosten.
3.2.
[verzoekende partij] legt aan zijn verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag.
3.2.1.
De VS moet door de opzegging van de arbeidsovereenkomst de transitievergoeding betalen, berekend op basis van het jaarsalaris behorend bij salarisschaal FSN-10 dan wel FSN-9. Ook moet de VS een billijke vergoeding betalen. De VS heeft de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV opgezegd en ernstig verwijtbaar gehandeld door [verzoekende partij] na zijn overplaatsing naar Nederland onvoldoende te ondersteunen, hem op grond van zijn nationaliteit te discrimineren en hem, nadat hij kritische vragen begon te stellen, vernederend werk te laten uitvoeren. Tevens heeft de VS hem zeer gevaarlijk werk laten verrichten, waaronder undercoverwerk, zonder dat daarvoor toestemming van de officier van justitie was verkregen en zonder dat hij daarvoor was opgeleid. Dit heeft geleid tot ernstige angst- en stressklachten, waaronder PTSS.
3.2.2.
De indeling in salarisschaal FSN-9 bij de overplaatsing naar Nederland was onterecht. Hierdoor zijn loonsverhogingen niet volledig doorgevoerd en is te weinig salaris uitbetaald. [verzoekende partij] diende daarnaast permanent bereikbaar te zijn. In [land] kreeg hij hiervoor een beschikbaarheidstoelage van 25%. Aan 3 FAM 7558.2 en het LCP wordt een recht ontleend op een dergelijke toelage, die andere werknemers wel ontvingen, maar [verzoekende partij] niet. Verder bestaat recht op een gevarentoelage. Het gevaarlijke werk is vergelijkbaar met dat van Amerikaanse werknemers die op grond van 3 FAM 3277 aanspraak hebben op een gevarentoelage tot 35%. Ondanks het ontbreken van specifieke richtlijnen voor LE Staff heeft [verzoekende partij] deze werkzaamheden wel verricht, zonder opleiding, zodat aanspraak bestaat op de maximale toelage. Tot slot werkte [verzoekende partij] gemiddeld zes uur per week buiten reguliere kantooruren. Op grond van het LCP bestaat recht op compensatie van die uren.
3.2.3.
De VS beschikte voor de bijzondere opsporingshandelingen die [verzoekende partij] moest verrichten niet over de vereiste toestemming en heeft bovendien geen (psychische) nazorg aan [verzoekende partij] geboden, maar hem juist gekleineerd en gediscrimineerd. Dit heeft geleid tot immateriële schade en materiële schade, waaronder de kosten van behandelingen en medicatie. De VS is aansprakelijk voor deze schade. Nu er nog behandeltrajecten lopen, kan de schade niet exact worden vastgesteld en is verwijzing naar de schadestaatprocedure aangewezen. Daarnaast heeft [verzoekende partij] blijvend schouder- en nekletsel opgelopen tijdens werk dat niet tot zijn functieomschrijving behoorde en werd ingezet om hem te vernederen, terwijl de VS wist dat [verzoekende partij] al kampte met nekklachten, met tot op heden € 2.890,60 aan fysiotherapiekosten. Ook voor deze schade is de VS aansprakelijk. Gezien de hoogte van deze kosten alleen al, is het duidelijk dat de totale schade hoger ligt, waardoor een voorschot van € 5.000,- redelijk is.
3.2.4.
De VS heeft zonder mededeling en zonder zwaarwegend belang de WIA-excedentverzekering opgezegd. Daardoor ontvangt [verzoekende partij] geen aanvullende uitkering bovenop zijn WIA-uitkering en blijft zijn inkomen onder 70% van het laatstverdiende loon. Dit is schade. Aannemelijk is dat [verzoekende partij] jaarlijks met de verzekering aanspraak zou hebben kunnen maken op de maximale uitkering van € 23.360,- bruto. Nu de arbeidsongeschiktheid naar verwachting voorlopig voortduurt, dient de schade te worden begroot op viermaal dit bedrag. De VS moet deze schade vergoeden.
3.3.
De VS verweert zich tegen het verzoek en voert – samengevat – het volgende aan.
3.3.1.
De VS stelt dat de vorderingen over werkgeversaansprakelijkheid losstaan van de discussie over de gevolgen van de opzegging van het dienstverband en waarschijnlijk ook nadere bewijslevering vereisen. Daarom verzoekt de VS om deze afzonderlijk te behandelen.
3.3.2.
De VS stelt verder dat [verzoekende partij] voor zijn dienstverband in Nederland reeds een transitievergoeding van € 17.703,95 bruto heeft ontvangen. De VS betwist dat sprake is van opvolgend werkgeverschap tussen het consulaat in [plaats] en de ambassade in Den Haag en dat salarisschaal FSN-10 als uitgangspunt moet worden genomen bij de berekening. Voor zover de transitievergoeding toch mede moet worden berekend over de periode in [plaats] , verzoekt de VS de reeds betaalde beëindigingsvergoedingen daarop in mindering te brengen. De VS betwist verder dat UWV-toestemming was vereist, dat na de overplaatsing onvoldoende ondersteuning is geboden en dat sprake is geweest van discriminatie, het laten uitvoeren van vernederende werkzaamheden of van het blootstellen aan gevaarlijke omstandigheden. Indien toch sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen, verzoekt de VS om de billijke vergoeding te matigen.
3.3.3.
De VS stelt dat de vorderingen inzake salariscomponenten zijn verjaard voor zover zij zien op de periode voor 9 april 2020, nu [verzoekende partij] pas bij akte van 9 april 2025 hierop voor het eerst aanspraak heeft gemaakt. Daarnaast heeft [verzoekende partij] volgens de VS niet voldaan aan zijn klachtplicht ten aanzien van het salaris. [verzoekende partij] heeft ingestemd met indeling in salarisschaal FSN-9, met een overgangsperiode, en op door hem ontvangen salarisstroken en ondertekende beoordelingsverslagen stond ook steeds schaal FSN-9 vermeld. Pas in oktober 2021 heeft [verzoekende partij] voor het eerst gesteld ten onrechte in schaal FSN-9 te zijn ingedeeld. Niet duidelijk is waarom hij dit niet eerder heeft gedaan. De VS betwist ook dat er functies zijn vergelijkbaar met die van [verzoekende partij] die in schaal 10 zijn ingedeeld. De VS betwist verder dat [verzoekende partij] aanspraak kan maken op een beschikbaarheidstoelage of een gevarentoelage. Indien hij wel recht heeft op deze toelagen, dienen deze slechts tot de ziekmelding te worden toegekend en te worden berekend op basis van het LCP, respectievelijk een percentage van 15%, en het werkelijke bruto basissalaris over 2024. Ten slotte heeft [verzoekende partij] volgens de VS ook ten aanzien van de overuren niet aan zijn klachtplicht voldaan. Over de periode 2018-2021 is € 17.679,32 aan overuren uitbetaald, zonder klachten over onbetaalde uren. De VS betwist dat meer overuren zijn gemaakt en verzoekt een eventueel toe te wijzen bedrag te verrekenen met het reeds betaalde bedrag.
3.3.4.
Voor zover niet tot afsplitsing wordt geoordeeld, betwist de VS dat de klachten van [verzoekende partij] zijn ontstaan tijdens de werkzaamheden in Nederland. Daarnaast stelt de VS dat zodra hij op de hoogte raakte van de dreiging in [land] , hij zich maximaal heeft ingespannen om [verzoekende partij] over te plaatsen naar Nederland en speciaal voor hem een functie heeft gecreëerd zonder veiligheidsrisico’s, gericht op ondersteunende taken binnen de DEA. De DEA is in Nederland niet operationeel zoals in [land] . [verzoekende partij] is niet blootgesteld aan undercoverwerkzaamheden of andere risicovolle taken waarvoor toestemming van een officier van justitie vereist was. Daarnaast biedt de VS wel degelijk (na)zorg aan werknemers die gevaarlijk werk verrichten of hebben verricht via voorzieningen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, ook voor LE Staff. [verzoekende partij] heeft echter nooit een verzoek ingediend of informatie opgevraagd over deze voorzieningen. De VS betwist verder dat hij op de hoogte was van de nekklachten van [verzoekende partij] en stelt dat [verzoekende partij] taken voor [collega] vrijwillig heeft uitgevoerd in een periode dat zij hulp nodig had.
3.3.5.
De VS betwist dat hij de WIA-excedentverzekering niet mocht opzeggen en stelt dat [verzoekende partij] geen belang heeft bij zijn schadevergoedingsvordering, nu de verzekering per 1 april 2021 is geëindigd en [verzoekende partij] pas daarna arbeidsongeschikt is geworden.
3.3.6.
De VS stelt dat er geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en betwist de hoogte van de gevraagde vergoeding. Ook stelt de VS dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een volledige proceskostenveroordeling rechtvaardigen.

4.De beoordeling

Nederlandse rechter is bevoegd
4.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen op grond van het in het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) neergelegde Nederlandse internationaal privaatrecht. Deze bevoegdheid volgt uit het feit dat [verzoekende partij] zijn woonplaats in Nederland heeft en als werknemer zijn werkzaamheden gewoonlijk in Nederland heeft verricht. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Nederlands recht is van toepassing
4.2.
[verzoekende partij] stelt dat op grond van artikel 8 lid 1 van Pro de Rome I-Verordening Nederlands recht van toepassing is, omdat dit recht meer bescherming biedt dan het Amerikaans recht. De VS is eveneens van mening dat Nederlands recht van toepassing is, zij het slechts voor zover dit niet in strijd is met het federale recht van de VS. De VS heeft echter niet toegelicht op welke voor de beoordeling van de verzoeken relevante punten daarvan sprake zou zijn. Daarom zal, in overeenstemming met de standpunten van partijen, Nederlands recht worden toegepast.
De (neven)vorderingen over werkgeversaansprakelijkheid worden niet afgesplitst
4.3.
Gedingen die op het in, bij of krachtens afdeling 7.10.9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift (artikel 7:686a lid 2 BW). Hieronder vallen onder meer gedingen gericht op verkrijging van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Verwante vorderingen mogen bij dit verzoekschrift worden ingesteld (lid 3). Volgens de wetsgeschiedenis gaat het om alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen worden ingediend. [3] Een zaak kan in twee of meer zaken worden gesplitst indien het verzoek en de daarbij ingediende vorderingen zich niet lenen voor gezamenlijke behandeling (lid 10).
4.4.
De aansprakelijkheid- en schadevergoedingsvorderingen van [verzoekende partij] zijn gebaseerd op artikel 7:658 BW Pro en artikel 7:611 BW Pro. Volgens [verzoekende partij] heeft de schending van de zorgplicht door de VS geleid tot arbeidsongeschiktheid, die uiteindelijk heeft geresulteerd in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor zover de vorderingen op deze grondslag zijn gebaseerd, houden zij derhalve verband met het ontslag. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op schending van de norm van goed werkgeverschap door de VS – hetgeen lijkt te zijn beperkt tot de opzegging van de WIA-excedentverzekering – brengt de ruime strekking van artikel 7:686a lid 3 BW en de efficienygedachte die daaraan ten grondslag ligt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat ook deze vorderingen in de onderhavige procedure kunnen worden betrokken. Er bestaat dan ook geen aanleiding deze vorderingen af te splitsen.
De VS moet de transitievergoeding betalen over het gehele dienstverband conform FSN-9
4.5.
De transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd, door bijvoorbeeld opzegging (artikel 7:673 lid 1 sub a onder Pro 1 BW). De transitievergoeding wordt berekend over het gehele dienstverband, waarbij voorgaande overeenkomsten worden meegeteld als sprake is van opvolgend werkgeverschap (lid 4). Dit is bij een werkgeverswisseling na 1 juli 2015 het geval als de werknemer dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden heeft gehouden. [4] Is bij beëindiging van een voorafgaande arbeidsovereenkomst een transitievergoeding betaald, dan wordt dat bedrag in mindering gebracht op de transitievergoeding die verschuldigd is (lid 5).
Opvolgend werkgeverschap
4.6.
[verzoekende partij] was zowel bij het consulaat in [plaats] als bij de ambassade in Den Haag werkzaam voor de VS in de functie van [functie 2] bij de DEA, klasse 705. Uit de functiebeschrijvingen blijkt dat voor beide functies vergelijkbare vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist waren. De VS heeft tegenover Ergomotion ook verklaard dat [verzoekende partij] in 2017 vanuit een vergelijkbare functie in [land] in dienst is getreden in Nederland. [verzoekende partij] heeft bovendien onderbouwd dat hij in Nederland niet uitsluitend administratieve werkzaamheden verrichtte, maar ook daadwerkelijk operationeel werk voor de DEA uitvoerde, dat in ieder geval op onderdelen vergelijkbaar was met zijn werkzaamheden in [land] . Ook heeft de VS het in de aanstellingsbrief over een demotie (downgrade), hetgeen wijst op voortzetting van een eerdere arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] . In een door [verzoekende partij] overgelegde brief van de VS van 29 januari 2020, schrijft de VS zelf het volgende: “ [verzoekende partij] had been an employee of the U.S. government since August 18, 2003 (…)”. Nu de functie(titel) niet (inhoudelijk) is gewijzigd, de werkgever (de VS) dezelfde is gebleven en voor beide functies vergelijkbare vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist waren, wordt geoordeeld dat de ambassade van de VS in Nederland ten aanzien van deze arbeid redelijkerwijs als opvolgend werkgever van het consulaat van de VS in [plaats] moet worden aangemerkt. Dit betekent dat bij de berekening van de transitievergoeding ook rekening moet worden gehouden met de periode waarin [verzoekende partij] voor de VS in [land] heeft gewerkt.
FSN-9
4.7.
De kantonrechter volgt de VS in het standpunt dat de transitievergoeding moet worden berekend op basis van het salaris behorend bij indeling in salarisschaal FSN-9. De VS heeft onweersproken gesteld dat deze functie een speciaal voor [verzoekende partij] gecreëerde functie betreft en dat zij het takenpakket behorend bij deze functie door het Regionaal Classificatiecentrum in Frankfurt heeft laten classificeren omdat voor zijn functie geen standaardfunctiebeschrijving beschikbaar was. Volgens de VS bestond de functie van [verzoekende partij] meer uit ondersteunende (kantoor)taken en minder uit uitvoerende taken, zoals undercover-activiteiten. Volgens de VS heeft hij slechts een keer in een undercover-rol gefunctioneerd en was dat op eigen verzoek en niet in Nederland. De stelling van [verzoekende partij] dat binnen andere afdelingen van de ambassade in Den Haag vergelijkbare LE Staff- [functie 1] -functies bestaan die zijn ingedeeld in schaal FSN-10, is door de VS gemotiveerd weersproken en door [verzoekende partij] niet nader onderbouwd. Daarvan kan dan ook niet worden uitgegaan.
4.8.
Dat het werkelijke takenpakket van [verzoekende partij] structureel en in aanzienlijke mate afweek van de functieomschrijving die de basis is geweest voor deze classificatie heeft [verzoekende partij] onvoldoende onderbouwd. De door hem overgelegde appberichten en krantenartikelen bieden daarvoor onvoldoende aanleiding. Uit die berichten volgt dat hij op een aantal momenten gedurende zijn dienstverband kennis had van het betalen van tipgeld aan informanten in Nederland, daar soms ook bij aanwezig was en dat hij op enig moment aanwezig was bij een onderschepte partij drugs. De kantonrechter kan uit die stukken echter niet afleiden dat zijn takenpakket structureel afweek van de functieomschrijving, aangezien die werkzaamheden ook gezien kunnen worden als invulling van het onderdeel
Investigation development, waar zijn functie voor 30% uit bestond.
4.9.
Voorts is van belang dat [verzoekende partij] , door ondertekening van de aanbiedingsbrief, ermee ingestemd dat hij in de functie van [functie 2] bij de ambassade in Den Haag werkzaam zou zijn in schaal FSN-9, met een overgangsperiode waarin hij werd uitbetaald conform schaal FSN-10. [verzoekende partij] stelt dat deze instemming niet vrijwillig maar opgedragen was, dit is door de VS gemotiveerd weersproken en vindt geen steun in de stukken. [verzoekende partij] voert in dit verband aan dat de hevige emoties en stress rondom de overplaatsing maakten dat niet van hem kon worden verwacht dat hij op dat moment bezwaar maakte tegen de salarisindeling. Wat daar ook van zij, de kantonrechter acht het niet aannemelijk dat het vervolgens, zoals [verzoekende partij] zelf stelt pas in maart 2019 (volgens de VS heeft hij dit pas in oktober 2021 kort voor zijn uitval wegens ziekte gedaan) voor hem mogelijk zou geweest zijn bezwaar te maken. In die tijd was [verzoekende partij] immers aan het werk, niet onder behandeling voor psychische klachten en heeft hij volgens de onweersproken stelling van de VS steeds salarisstroken ontvangen en beoordelingsverslagen ondertekend waarin telkens schaal FSN-9 werd vermeld.
Vermindering
4.10.
[verzoekende partij] heeft de (subsidiaire) berekening van de transitievergoeding gebaseerd op het bruto jaarsalaris conform FSN-9 zoals dat gold vóór de ziekmelding. Hij stelt dit jaarsalaris op € 99.645,- bruto. De VS is in zijn eigen berekening van de volgens hem verschuldigde transitievergoeding ook uitgegaan van dat jaarsalaris (zij het afgerond). Nu de VS geen verweer heeft gevoerd tegen de wijze waarop [verzoekende partij] de transitievergoeding aan de hand van dat jaarsalaris over zijn gehele dienstverband bij de VS heeft berekend, wordt uitgegaan van het door [verzoekende partij] (subsidiair) verzochte bedrag van € 58.455,49 bruto als het door de VS verschuldigde bedrag aan transitievergoeding.
4.11.
[verzoekende partij] heeft onvoldoende weersproken dat de VS van het verschuldigde bedrag reeds € 17.703,95 bruto aan transitievergoeding heeft betaald als onderdeel van de eindafrekening na uitdiensttreding waarbij aan [verzoekende partij] een bedrag van € 36.531,- bruto is betaald. Het verzochte bedrag dient in ieder geval met dit bedrag te worden verminderd. Voor een verdere vermindering bestaat geen aanleiding. Niet in geschil is dat [verzoekende partij] bij het einde van zijn dienstverband bij het consulaat in [plaats] een vergoeding heeft ontvangen in Turkse lira. De VS heeft echter niet onderbouwd dat in dit bedrag (mede) een bedrag aan transitievergoeding was begrepen. Dit leidt ertoe dat aan transitievergoeding een bedrag wordt toegewezen van (€ 58.455,49 minus € 17.703,95 =) € 40.751,54 bruto.
[verzoekende partij] heeft recht op een billijke vergoeding, maar deze wordt gesteld op nihil
Ernstig verwijtbaar handelen
4.12.
Een billijke vergoeding kan alleen worden toegekend als daarvoor een grondslag in de wet staat. Een billijke vergoeding kan bijvoorbeeld worden toegekend als de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met de daarvoor geldende regels van artikel 7:671 BW Pro (artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro). Op grond van dat artikel kan de werkgever een arbeidsovereenkomst beëindigen door opzegging met schriftelijke instemming van de werknemer. Opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder instemming van de werknemer kan alleen bij in de wet gegeven situaties. Een van die situaties betreft de situatie dat de werknemer twee jaar of langer ziek is: voor de opzegging van het dienstverband met een dergelijke weknemer heeft de werkgever toestemming nodig van het UWV (artikel 7:671a lid 1 BW). Zegt de werkgever zonder deze toestemming de arbeidsovereenkomst op, dan kan de werknemer toekenning van een billijke vergoeding verzoeken.
4.13.
Niet in geschil is dat de VS de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] heeft opgezegd zonder schriftelijke instemming van [verzoekende partij] en zonder toestemming van het UWV. De VS stelt dat hij nooit toestemming vraagt voor het opzeggen van een arbeidsovereenkomst en beroept zich daarbij op beleid van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RDA), dat volgens de VS is gebaseerd op een aanwijzing van het ministerie aan het RDA om, gelet op het volkenrechtelijke beginsel van gelijkheid van soevereine staten, verzoeken van soevereine staten om toestemming ex artikel 6 van Pro het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) niet in behandeling te nemen.
4.14.
De kantonrechter is ambtshalve niet bekend met een aanwijzing van het ministerie waaruit zou volgen dat voor soevereine staten geen toestemming voor opzegging van een arbeidsovereenkomst is vereist en de VS heeft een dergelijke aanwijzing ook niet overgelegd. Daar komt bij dat artikel 6 BBA Pro met de invoering van de Wet werk en zekerheid is vervallen, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat een daarop gebaseerde aanwijzing, voor zover die al heeft bestaan, thans zonder meer nog gelding heeft. Het wordt er daarom voor gehouden dat de VS toestemming nodig had van het UWV om de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] te mogen opzeggen. Omdat de VS die toestemming niet had, kan [verzoekende partij] aanspraak maken op een billijke vergoeding.
4.15.
Omdat [verzoekende partij] reeds op deze grond aanspraak kan maken op een billijke vergoeding, behoeft de stelling van [verzoekende partij] dat de VS tevens ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en de in dat kader aangevoerde omstandigheden geen verdere bespreking. Het is ook niet duidelijk op welke wettelijke grondslag [verzoekende partij] in dat kader aanspraak zou kunnen maken op een billijke vergoeding. Voor een aantal soorten billijke vergoeding is weliswaar ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever nodig, maar de wet bepaalt ook dat het dan gaat om situaties waarin de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden of niet wordt voorgezet na een einde van rechtswege als gevolg van dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever (artikel 7:671b lid 9 sub c BW, 7:671b lid 10 sub b BW, 7:671c lid 2 sub b BW, 7:671c lid 3 sub b BW en 7:673 lid 9 BW). Geen van deze situaties doet zich hier voor. Een billijke vergoeding kan ook worden toegekend indien een arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV is opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en die opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:682 lid 1 sub c jo Pro. artikel 7:669 lid 3 sub b BW Pro), maar ook deze situatie is hier niet aan de orde, nu deze grondslag veronderstelt dat de werkgever vooraf toestemming van het UWV heeft verkregen, hetgeen hier nu juist niet is gebeurd.
Hoogte
4.16.
De rechter moet de billijke vergoeding bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding kan met de gevolgen van het ontslag rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding kan mede worden gelet op wat de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd. [5]
4.17.
[verzoekende partij] acht in de eerste plaats een bedrag van € 5.000,- redelijk gelet op het handelen van de VS rondom het einde van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verzoekende partij] heeft de VS zijn verplichtingen jegens hem veronachtzaamd en zijn verantwoordelijkheid ontlopen (in de woorden van [verzoekende partij] : ‘kop in het zand steken’).
4.17.1.
[verzoekende partij] heeft verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2017. [6] Die verwijzing gaat echter niet op. Anders dan de werkgever in die zaak heeft de VS in dit geval proactief de eindafrekening voldaan. Dat de VS bij die betaling geen schriftelijke specificatie aan [verzoekende partij] heeft verstrekt, is weliswaar een omissie, maar deze is in de onderhavige procedure hersteld doordat de VS de specificatie alsnog in het geding heeft gebracht. [verzoekende partij] stelt voorts dat hij pas nadat hij had gevraagd om zijn vakantiedagen op te nemen door de VS is geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst was opgezegd onder verwijzing naar een opzeggingsbrief die hij niet heeft ontvangen. Voor zover deze opzeggingsbrief op dat moment nog niet was verzonden – hetgeen [verzoekende partij] overigens niet stelt; hij stelt alleen deze niet heeft te hebben ontvangen – heeft de VS de brief kort daarna alsnog (na)gestuurd. Indien al sprake was van een omissie, is ook deze toen door de VS hersteld.
4.18.
[verzoekende partij] stelt, onder verwijzing naar het eindrapport van de psycholoog en de bedrijfsarts, dat hij PTSS heeft ontwikkeld door toedoen van (door) de VS (gecreëerde werkomstandigheden). [verzoekende partij] acht hierom, in de tweede plaats, een bedrag van € 10.000,- redelijk, omdat hij naar eigen zeggen de littekens van dit handelen zijn leven lang zal moeten dragen.
4.18.1.
Dat de door [verzoekende partij] ontwikkelde PTSS-klachten, waarvan hij ter zitting heeft gesteld dat deze zijn ontstaan door de wijze waarop hij is behandeld na zijn overplaatsing van [land] naar Nederland en na het stellen van vragen over de rechtmatigheid van de werkzaamheden die hij namens de DEA in Nederland verrichtte, volledig, dan wel in overwegende mate zijn toe te rekenen aan het handelen van de VS, is door [verzoekende partij] onvoldoende onderbouwd. De psycholoog heeft in het rapport weliswaar vermeld dat sprake is van PTSS-klachten als gevolg van werkgerelateerde gebeurtenissen, maar de bedrijfsarts heeft aanvankelijk geconcludeerd dat werkgerelateerde factoren niet hebben bijgedragen aan het verzuim. In het uiteindelijke rapport heeft de bedrijfsarts deze conclusie genuanceerd door te overwegen dat werkgerelateerde factoren
medehebben bijgedragen aan het verzuim. Hieruit volgt echter dat naast werkgerelateerde factoren ook andere, niet-werkgerelateerde omstandigheden een rol hebben gespeeld. Daarbij komt dat [verzoekende partij] tegenover Ergomotion heeft verklaard dat hij door zijn toenmalige leidinggevende bij de DEA goed is opgevangen in Nederland en dat zijn mentale klachten zijn ontstaan door werkgeversdiscriminatie. Hij heeft
nietaangegeven dat deze klachten het gevolg waren van (-) de situatie in [land] , (-) de wijze waarop hij in Nederland is opgevangen en is behandeld na vragen of hij het werk dat hij verrichte wel mocht doen dan wel (-) het verrichten van opsporingsactiviteiten zonder toestemming van justitie, zoals hij in de stukken heeft genoemd als oorzaak van de PTSS. Het is bovendien niet gebleken dat [verzoekende partij] in de jaren tot zijn uitval bij de VS melding heeft gemaakt van psychische klachten die verband hielden met (een van) deze omstandigheden. Ook blijkt uit niets dat de VS [verzoekende partij] op grond van nationaliteit heeft gediscrimineerd.
4.18.2.
Ten aanzien van de stelling van [verzoekende partij] dat hij de gevolgen van het handelen van de VS zijn leven lang moet meedragen, wordt overwogen dat uit de stukken blijkt dat de PTSS-klachten zijn verminderd door EMDR-therapie, en zelfs in die mate dat de verzekeringsarts van het UWV heeft geconcludeerd dat de beperkingen van [verzoekende partij] thans voornamelijk fysiek van aard zijn. [verzoekende partij] heeft bovendien tegenover de arbeidsdeskundige van het UWV verklaard dat hij verwacht weer volledig te kunnen hervatten in werk zodra hij niet langer aan de VS is verbonden. Tegen deze achtergrond heeft [verzoekende partij] onvoldoende onderbouwd op welke wijze en in welke mate hij naar verwachting zijn leven lang hinder zal blijven ondervinden van de PTSS-klachten.
4.19.
[verzoekende partij] verwijt de VS voorts dat hij te weinig re-integratieinspanningen heeft verricht en acht in dat verband een bedrag van € 5.000,- billijk. Hij stelt dat het ernstig veronachtzamen van re-integratieverplichtingen door de werkgever een grond vormt voor toekenning van een billijke vergoeding.
4.19.1.
Voor het type billijke vergoeding waarop [verzoekende partij] in dit geval aanspraak kan maken, gelden andere wettelijke voorwaarden dan in de uitspraken waarnaar [verzoekende partij] in dit verband verwijst, waarin een billijke vergoeding is toegekend op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c dan Pro wel artikel 7:671b lid 9 sub c BW. [7] Deze uitspraken zijn reeds hierom niet vergelijkbaar. Los daarvan geldt dat, anders dan [verzoekende partij] lijkt te veronderstellen, het opleggen van een loonsanctie op zichzelf niet meebrengt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat de VS na het opleggen van de loonsanctie de re-integratiedocumenten zonder voorafgaande input of instemming van [verzoekende partij] aan het UWV heeft toegezonden, zoals [verzoekende partij] stelt dat is gebeurd, maakt niet dat daarmee alsnog van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten kan worden gesproken.
4.20.
[verzoekende partij] stelt dat hij loonschade heeft geleden gedurende de periode waarin hij arbeidsongeschikt was, in ieder geval tot 16 april 2024, omdat hij in die periode slechts 70% van zijn loon heeft ontvangen. Omdat de arbeidsongeschiktheid direct is toe te rekenen aan de VS, is de loonschade, door [verzoekende partij] berekend op € 71.552,79, dat ook, aldus [verzoekende partij] .
4.20.1.
Voor zover [verzoekende partij] met de gestelde arbeidsongeschiktheid doelt op de PTSS-klachten, is reeds overwogen dat onvoldoende is onderbouwd dat deze klachten volledig dan wel in overwegende mate aan de VS zijn toe te rekenen. Voor zover [verzoekende partij] met de gestelde arbeidsongeschiktheid echter doelt op de chronische nek- en schouderklachten waarvan hij stelt sinds een incident met [collega] last te hebben, wordt het volgende overwogen.
4.20.2.
Volgens [verzoekende partij] heeft [collega] hem tijdens het incident waarbij zij ten val is gekomen stevig bij zijn nek en schouders vastgegrepen. De VS heeft echter, onder overlegging van de verklaring van [collega] , gemotiveerd betwist dat het incident zich heeft voorgedaan op de wijze zoals door [verzoekende partij] is geschetst. Bovendien is niet gebleken [verzoekende partij] eerder dan nadat hij ziek was uitgevallen – dat was meer dan een jaar later – melding heeft gemaakt van dit incident bij zijn leidinggevende. Evenmin heeft hij in het WhatsApp-bericht aan [collega] , waarin hij melding maakt van ernstige nekpijn, aangegeven dat deze klachten het gevolg waren van het incident. Dit had wel voor de hand had gelegen, temeer nu [verzoekende partij] reeds daarvoor al met nekklachten kampte en deze volgens zijn eigen stelling door het incident aanzienlijk zijn verergerd. Het bericht is bovendien pas meer dan een maand na het incident aan [collega] verstuurd. [verzoekende partij] heeft in het licht van dit alles ook ten aanzien van deze klachten onvoldoende onderbouwd dat deze volledig dan wel in relevante mate zijn toe te schrijven aan het handelen van de VS. De gestelde loonschade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
4.21.
[verzoekende partij] stelt tot slot dat het redelijk is om bij de begroting van de billijke vergoeding een bedrag van € 25.000,- aan gevolgschade wegens verminderde verdienmogelijkheden bij werkhervatting te betrekken.
4.21.1.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft [verzoekende partij] onvoldoende onderbouwd dat zijn ziektebeeld aan het handelen van de VS is toe te rekenen. Verder is vastgesteld dat hij tegenover de arbeidsdeskundige van het UWV heeft verklaard dat hij verwacht weer volledig te kunnen hervatten in werk zodra hij niet meer aan de VS is verbonden en dat de mentale klachten zoveel als mogelijk zijn verholpen. Voorts is niet gebleken dat de nek- en schouderklachten van [verzoekende partij] van chronische aard zijn. Gelet op deze omstandigheden wordt het niet aannemelijk geacht dat de door het UWV vastgestelde verdiencapaciteit van [verzoekende partij] tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd niet meer zal veranderen. Daarmee ontbreekt een voldoende onderbouwing voor het meenemen van de gestelde gevolgschade bij de begroting van de billijke vergoeding.
4.22.
Het volgende wordt nog opgemerkt. Het is aannemelijk dat indien het UWV wel om toestemming was gevraagd, de VS deze toestemming zou hebben verkregen, waarna de arbeidsovereenkomst na 16 april 2024 rechtsgeldig had kunnen worden opgezegd. Gelet op het arbeidsdeskundig rapport van 14 juni 2024 bij de WIA-beoordeling en de daarin beschreven nekklachten van [verzoekende partij] , waarin ook is genoemd dat terugkeer in het eigen werk niet bevorderlijk zou zijn geweest voor zijn gezondheid, wordt aangenomen dat het UWV zou hebben geoordeeld dat het niet te verwachten was dat [verzoekende partij] binnen 26 weken weer in staat zou zijn om zijn eigen werk of aangepaste werkzaamheden bij de VS te verrichten. Indien de VS de formele UWV-procedure had doorlopen, zou dit echter niet hebben geleid tot een loonaanspraak van [verzoekende partij] . Hij was immers al meer dan twee arbeidsongeschikt en de loondoorbetalingsverplichting van de VS was, na verkorting van de loonsanctie, geëindigd. De VS heeft dus weliswaar niet volgens de wet gehandeld, maar als hij dat wel had gedaan, zou dit voor [verzoekende partij] in financieel opzicht geen verschil hebben gemaakt.
4.23.
In het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. De door de VS aangevoerde (overige) redenen om de billijke vergoeding te matigen behoeven gelet hierop geen nadere bespreking.
De loon(componenten)vorderingen zijn deels verjaard
4.24.
Een vordering tot betaling van loon(componenten) verjaart in beginsel na vijf jaar (artikel 3:307 en Pro 3:308 BW). Deze termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW Pro).
4.25.
[verzoekende partij] voert aan dat hij de verjaring van zijn loon(componenten)vorderingen in 2019 en 2021 heeft gestuit. Volgens [verzoekende partij] heeft hij destijds tijdens gesprekken met de HR-manager en [leidinggevende] kenbaar gemaakt dat hij recht heeft op een salaris horend bij FSN-10 en op uitbetaling van toelagen en overuren. Voor zover deze stelling juist is, kwalificeren deze gesprekken echter niet als stuitingshandelingen in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW Pro, nu dit artikel vereist dat de stuiting schriftelijk plaatsvindt. Nu niet is gebleken dat [verzoekende partij] vóór 1 april 2025 – dat is de datum waarop de Nederlandstalige akte van [verzoekende partij] bij de rechtbank is binnengekomen – schriftelijk jegens de VS aanspraak heeft gemaakt op achterstallig(e) loon(componenten), zijn de hierop gerichte vorderingen over de periode vóór 1 april 2020 verjaard.
[verzoekende partij] heeft de klachtplicht alleen geschonden wat betreft de overuren
4.26.
Artikel 6:89 BW Pro bepaalt dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie als hij niet binnen bekwame tijd, nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, hierover heeft geklaagd bij de schuldenaar.
4.27.
Het beroep op de klachtplicht met betrekking tot het gevorderde achterstallige salaris faalt. De stelling van de VS dat [verzoekende partij] pas in oktober 2021 het standpunt heeft ingenomen dat hij ten onrechte is ingedeeld in salarisschaal FSN-9 in plaats van FSN-10, vindt geen steun in hetgeen de VS tegenover Ergomotion heeft verklaard in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek. Uit de paragraaf ‘
gesprek met werkgever en diens visie op de re-integratie’ volgt dat [verzoekende partij] reeds in de daaraan voorafgaande periode heeft verzocht om (onder andere) een salarisverhoging. Dat dit verzoek uitsluitend zou zien op een reguliere salarisverhoging en niet op een herindeling naar FSN-10, is gesteld noch gebleken. Mede gelet op de stelling van [verzoekende partij] dat hij al vóór oktober 2021 heeft aangegeven recht te hebben op een salaris conform FSN-10, kan niet worden geconcludeerd dat [verzoekende partij] zijn klachtplicht ten aanzien van het gevorderde achterstallige salaris heeft geschonden.
4.28.
Dit ligt anders ten aanzien van de gevorderde overuren. [verzoekende partij] verzoekt om uitbetaling van overuren die hij in de periode van 2018 tot 2021 zou hebben gewerkt. De VS heeft gemotiveerd uiteengezet dat [verzoekende partij] in die periode zijn overuren heeft gedeclareerd en dat de gedeclareerde overuren volledig zijn uitbetaald. De stelling van de VS dat [verzoekende partij] vervolgens nimmer heeft geklaagd dat de gedeclareerde overuren niet (volledig) zijn uitbetaald, is door [verzoekende partij] niet betwist. Ook bieden de stukken geen aanknopingspunten voor de conclusie dat [verzoekende partij] na (zijn ziekmelding in) 2021 jegens de VS het standpunt heeft ingenomen dat de over genoemde periode uitbetaalde vergoeding voor overuren onjuist was, althans dat hij aanspraak zou hebben op uitbetaling van meer overuren. Door eerst bij akte van april 2025 – meer dan vier jaar na het laatste jaar waarover [verzoekende partij] betaling vraagt en meer dan zeven maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst – hierover te klagen, heeft [verzoekende partij] niet aan zijn klachtplicht voldaan. Nog los dat hij ook niet heeft onderbouwd dat hij meer overuren heeft gewerkt dan aan hem zijn uitbetaald, is deze vordering daarom in ieder geval niet toewijsbaar.
De VS is over de niet-verjaarde periode geen loon en toelagen verschuldigd
Salaris
4.29.
[verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat hij bij zijn overplaatsing naar Nederland ten onrechte is ingedeeld in salarisschaal FSN-9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen bij de beoordeling van de verzochte transitievergoeding volgt echter dat daarvan geen sprake is. Het gevorderde bedrag aan achterstallig salaris, dat is gebaseerd op de – als gevolg van de indeling in FSN-9 – telkens voor de helft uitbetaalde loonsverhogingen over de periode 2020 tot en met 2024, is daarom niet toewijsbaar.
Beschikbaarheidstoelage
4.30.
Er is geen grondslag voor het toekennen van een beschikbaarheidstoelage aan [verzoekende partij] . Voor zover het beroep van [verzoekende partij] gebaseerd is op 3 FAM 7558.2, geldt dat hij – voor zover hij daar al rechtstreeks een beroep op kan doen (wat de VS heeft betwist) – niet voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden voor een Standby Duty toelage. De VS heeft toegelicht dat deze toelage bedoeld is voor werknemers die in directe paraatheid staan en daardoor beperkte bewegingsvrijheid hebben. Dit blijkt ook uit 3 FAM 7558.2, op grond waarvan vereist is dat een werknemer verplicht op het ‘duty station’ aanwezig moet zijn. Volgens de VS had [verzoekende partij] een dergelijke verplichting niet, en deze stelling is door [verzoekende partij] niet weersproken.
4.31.
Voor zover het beroep is gebaseerd op hoofdstuk 5 van het LCP, geldt dat [verzoekende partij] ook voor de daarin genoemde On Call Duty Pay niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Uit het LCP blijkt dat deze toeslag alleen geldt voor een zeer specifiek type personeel, zoals Maintenance Duty Personnel, Ambassador's Duty Driver en Health Unit Duty Personnel, waar [verzoekende partij] niet onder valt. Voor zover [verzoekende partij] verplicht was om tijdelijk of periodiek een mobiele telefoon bij zich te dragen, hetgeen de VS heeft betwist, en daarmee onder de categorie Other Personnel zou vallen, geldt dat de VS onweersproken heeft toegelicht dat [verzoekende partij] nimmer een formeel verzoek tot toekenning van een On Call Duty Pay heeft ingediend en dat ook nimmer schriftelijk door de Counselor of Embassy for Administrative Affairs is goedgekeurd dat [verzoekende partij] voor deze vergoeding in aanmerking komt, terwijl het LCP dit wel vereist om aanspraak op de toeslag te kunnen maken. [verzoekende partij] heeft derhalve onvoldoende onderbouwd dat hij aan de voorwaarden voldeed. Dat hij in [land] wel een beschikbaarheidstoelage ontving en Amerikaanse collega’s op de ambassade in Nederland die ook ontvingen, maakt dat niet anders.
Gevarentoelage
4.32.
Het LCP bevat geen bepalingen op basis waarvan lokale medewerkers van de VS in Nederland (zoals [verzoekende partij] was) aanspraak kunnen maken op een gevarentoelage en de regeling 3 FAM 3277 waar [verzoekende partij] naar verwijst geldt niet voor LE Staff. [verzoekende partij] voert echter aan dat, bij het ontbreken van een vergelijkbare regeling voor LE Staff die risicovol werk verrichten, moet worden gekeken naar wat billijk is. Omdat Amerikaanse medewerkers voor standaard opsporingshandelingen wel een gevarentoelage ontvangen en [verzoekende partij] soortgelijke handelingen heeft verricht, is het volgens hem billijk om aan te sluiten bij het bepaalde in 3 FAM 3277.
4.33.
De VS heeft erop gewezen dat een gevarentoelage op grond van 3 FAM 3270 uitsluitend wordt toegekend in situaties die daadwerkelijk als risicovol zijn aangemerkt en ook alleen op locaties die als
'danger posts'zijn geclassificeerd, en voorts dat volgens 3 FAM 3275 een gevarentoelage uitsluitend kan worden toegekend op posten waar sprake is van burgerlijke onrust, burgeroorlog, terrorisme of oorlogsomstandigheden, waardoor een reëel gevaar bestaat voor lichamelijk letsel of een directe dreiging voor de gezondheid of het welzijn van medewerkers. De VS heeft onweersproken toegelicht dat Nederland niet als ‘
danger post’is aangemerkt en geen enkele LE Staff in Nederland eerder een gevarentoelage heeft ontvangen. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien om [verzoekende partij] een gevarentoelage toe te kennen.
De VS is niet aansprakelijk voor de gestelde schade
4.34.
De werkgever heeft een zorgplicht, wat inhoudt dat hij maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer schade oploopt in de uitoefening van zijn werkzaamheden (artikel 7:658 lid 1 BW Pro). Om een werkgever aansprakelijk te kunnen stellen, moet de schade het gevolg zijn van de uitoefening van werkzaamheden. De stelplicht ter zake rust bij de werknemer. De werkgever is niet aansprakelijk indien hij stelt en zo nodig bewijst dat aan de zorgplicht is voldaan. Onder de zorgplicht wordt mede verstaan de verplichtingen die de werkgever heeft krachtens publiekrechtelijke regelingen ter zake van arbeidsomstandigheden. Is een dergelijke norm geschonden dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor de letselschade die de werknemer lijdt doordat zich een ongeval voltrekt dat de geschonden norm uit een van deze regelingen tracht te voorkomen. [8] Er kunnen ook ongeschreven verplichtingen zijn die verder strekken dan de geschreven normen. Bepalend hierbij zijn de Kelderluikcriteria. [9] Verder geldt dat een werkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen (artikel 7:611 BW Pro).
Psychische en stressgerelateerde schade en letselschade in schouders en nek
4.35.
Ten aanzien van de gestelde psychische en stressgerelateerde klachten beroept [verzoekende partij] zich op artikel 126 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 126 Sv Pro ziet op het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. De kantonrechter gaat er, gelet op de feiten die hij in dit kader heeft aangevoerd, van uit dat [verzoekende partij] bedoeld heeft zich te beroepen op artikel 126g Sv e.v. Deze bepalingen zien op de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen in het strafrecht. Deze wettelijke regeling waarborgt de rechtmatigheid van de opsporing en beoogt de rechten van de verdachte te beschermen. Het betreft derhalve geen norm die strekt tot bescherming van werknemers tegen gevaarlijk werk in de zin van artikel 7:658 BW Pro. Ook indien deze norm door de VS (de DEA) zou zijn geschonden – bijvoorbeeld doordat geen toestemming van de officier van justitie is verkregen voor het verrichten van bijzondere opsporingshandelingen in Nederland , zoals [verzoekende partij] stelt – leidt dit niet tot aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW Pro. [verzoekende partij] heeft bovendien niet gesteld aan welk concreet gevaar hij als gevolg van de gestelde normschending zou zijn blootgesteld. Hij heeft ook niet onderbouwd dat hij wegens onvoldoende opleiding, instructie of begeleiding niet in staat was deze werkzaamheden te verrichten – de door hem in het geding gebrachte appberichten rondom dit type werkzaamheden wijzen ook in het geheel niet in die richting –, dat hij daar melding van heeft gemaakt en desondanks gevraagd werd toch dit werk te verrichten, noch dat hij als gevolg van deze werkzaamheden strafrechtelijk aansprakelijk is gesteld of een reëel risico daarop heeft gelopen en daardoor psychisch letsel heeft opgelopen. In dit verband is van belang dat [verzoekende partij] , zoals reeds overwogen, er tegenover de arbeidsdeskundige geen melding van heeft gemaakt dat deze klachten verband houden met het verrichten van opsporingsactiviteiten zonder toestemming van de Nederlandse justitie. Evenmin heeft [verzoekende partij] toen aangegeven dat deze klachten verband houden met het bieden van onvoldoende nazorg door de VS na het verrichten van dit soort werkzaamheden. [verzoekende partij] heeft ook niet betwist dat hij voorafgaand aan zijn uitval nimmer om ondersteuning heeft verzocht, noch informatie heeft ingewonnen over beschikbare nazorg. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de VS zijn zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van het ontstaan van de in dit verband gestelde klachten of dat hij niet als goed werkgever heeft gehandeld.
4.36.
Ten aanzien van de gestelde nek- en schouderklachten heeft [verzoekende partij] , zoals overwogen, onvoldoende onderbouwd dat deze klachten zijn verergerd door het valincident van [collega] . Bovendien heeft de VS voldoende onderbouwd dat de werkzaamheden die [verzoekende partij] voor [collega] heeft verricht, plaatsvonden in een periode waarin [collega] wegens een gebroken voet hulpbehoevend was en op basis van collegialiteit zijn uitgevoerd naar aanleiding van een oproep van [leidinggevende] om haar te helpen. Uit niets blijkt dat deze werkzaamheden waren bedoeld om [verzoekende partij] het leven zuur te maken, zoals door [verzoekende partij] is gesteld. Van een schending van de zorgplicht of de norm van goed werkgeverschap door de VS is dan ook geen sprake.
4.37.
Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [verzoekende partij] betreffende de aansprakelijkheid van de VS worden afgewezen.
Misgelopen uitkering onder de WIA-excedentverzekering
4.38.
De VS heeft toegelicht dat hij de WIA-excedentverzekering onverplicht en uit eigen beweging heeft afgesloten. [verzoekende partij] heeft dit niet weersproken. [verzoekende partij] stelt zich echter op het standpunt dat de verzekering, eenmaal afgesloten, onderdeel is gaan uitmaken van de arbeidsvoorwaarden en daarom niet zonder zijn instemming kon worden beëindigd, omdat dit zou neerkomen op een eenzijdige wijziging van een arbeidsvoorwaarde.
4.39.
Het enkele feit dat een werkgever vrijwillig een voorziening treft, brengt niet zonder meer mee dat daarmee een afdwingbare arbeidsvoorwaarde ontstaat. Daarvoor is vereist dat bij de werknemer het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de voorziening duurzaam onderdeel zou uitmaken van de arbeidsvoorwaarden. [verzoekende partij] mocht er niet op vertrouwen dat de WIA-excedentverzekering blijvend zou worden voortgezet, nu de VS noch op grond van de arbeidsovereenkomst en het LCP, noch op grond van de wet verplicht was om deze af te sluiten en in stand te houden. Het stond de VS dan ook vrij de verzekering te beëindigen. Door dit te doen, heeft de VS niet gehandeld in strijd met zijn zorgplicht en evenmin als slecht werkgever. Hooguit kan de VS worden verweten dat hij niet als goed werkgever heeft gehandeld door [verzoekende partij] niet over de opzegging te informeren, maar dat kan niet leiden tot toewijzing van de verzochte vergoeding. Deze wordt dan ook afgewezen.
De VS hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen
4.40.
Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro). Deze bepaling biedt geen zelfstandige grondslag voor de vergoeding van de hier bedoelde kosten, maar veronderstelt dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat.
4.41.
Los dat niet wordt ingezien op grond van welke wettelijke verplichting tot schadevergoeding de VS gehouden zou zijn om deze kosten te vergoeden, is gesteld noch gebleken dat door [verzoekende partij] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het op vergoeding van deze werkzaamheden gerichte verzoek is dan ook niet toewijsbaar.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.42.
Het uitgangspunt is dat de rechter de proceskosten begroot op basis van de vastgestelde liquidatietarieven. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’. Daarbij moet gedacht worden aan gevallen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. [10]
4.43.
[verzoekende partij] heeft niet gesteld welke buitengewone omstandigheden in dit geval toewijzing van de volledige proceskosten rechtvaardigen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de proceskosten volledig ten laste van de VS te brengen. Sterker nog, omdat partijen op onderdelen beide in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Iedere partij draagt dan ook de eigen kosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de VS tot betaling van € 40.751,54 bruto aan transitievergoeding aan [verzoekende partij] ;
5.2.
veroordeelt de VS tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoekende partij] , die wordt gesteld op nihil;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart de veroordeling onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.

Voetnoten

1.Op 1 april 2025 is de Nederlandstalige versie van de akte binnengekomen en op 9 april 2025 de Engelstalige versie.
2.Verder zijn de volgende diplomatieke notities van de VS binnengekomen: NV 094-25 van 25 november 2025, NV 095-25 van 26 november 2025 en NV 001-26 van 5 januari 2026. Deze notities zijn – voor zover de kantonrechter kan zien – niet aan [verzoekende partij] toegezonden. Bij de beoordeling van de verzoeken is daarom geen acht geslagen op deze notities.
3.MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 121; zie ook p. 37.
4.Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905.
5.Onder andere Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
7.Hij wijst op Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3026, Rechtbank Amsterdam 22 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2944, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:239 en Rechtbank Gelderland 27 juni 2021, ECLI:NL:RBGEL:2022:3939.
8.Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL: HR:2007:BA7355.
9.Hoge Raad 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079.
10.Onder andere Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.