ECLI:NL:RBDHA:2026:19752
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging opvang vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Dit bezwaar richtte zich tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht, die opvang en begeleiding bood aan vreemdelingen zonder legaal verblijf.
De minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij geen gebruik meer maakte van de LVV-opvang en inmiddels aanspraak maakte op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) vanwege een gegrond verklaard beroep op zijn herhaalde asielaanvraag. De rechtbank bevestigde dat procesbelang vereist is voor ontvankelijkheid en dat dit bij eiser ontbrak.
De rechtbank overwoog dat de LVV-opvang geen voordelen bood ten opzichte van de COa-opvang en dat de beëindiging van de LVV-opvang daarom geen feitelijke betekenis meer had voor eiser. Tevens wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn nog niet was overschreden en er geen onderbouwing van schade was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 14 juli 2026 door rechter Schaaf.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.