ECLI:NL:RBDHA:2026:19753

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/4961
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling procesbelang bij bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening in Utrecht

De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht te beëindigen. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer zou hebben, aangezien hij geen gebruik meer maakt van de LVV.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft inmiddels een herhaalde asielaanvraag ingediend, waarop de minister nog niet had beslist bij het bestreden besluit. Inmiddels is deze aanvraag afgewezen, maar eiser heeft een beroepsprocedure lopen en recht op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hierdoor is het procesbelang bij de LVV-bezwaarprocedure komen te vervallen.

De rechtbank wijst ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven. Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen beëindiging van de LVV wordt afgewezen wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/4961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 23 maart 2026, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Vrijstelling van betaling griffierecht

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Feiten

3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. [1]
4.2.
In het bestreden besluit van 23 maart 2026 staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop de minister op dat moment nog niet had beslist. Volgens de minister heeft eiser hierdoor recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en heeft hij geen procesbelang bij de uitkomst van de bezwaarprocedure.
4.3.
Inmiddels heeft de minister met het besluit van 3 juni 2026 de herhaalde aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen een beroepsprocedure aanhangig gemaakt en heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4.4.
De rechtbank overweegt dat eiser op dit moment nog steeds recht heeft op opvang van het COa. Dit als gevolg van de beroepsprocedure tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet hierop heeft de vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV voor eiser geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure is komen te vervallen. De afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag maakt het in dit geval niet anders.
5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.
5.1.
De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).