Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, die sinds 1973 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het doel humanitair niet-tijdelijk. Deze aanvraag werd door de minister afgewezen, mede vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de afwezigheid van medische vrijstelling hiervan. Eerder had de minister reeds zijn verblijfsvergunning ingetrokken vanwege gepleegde misdrijven en een inreisverbod opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen medische vrijstelling van het mvv-vereiste noodzakelijk is, mede op basis van een BMA-advies dat stelt dat eiser kan reizen en geen medische noodsituatie verwacht wordt. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro is zorgvuldig en evenwichtig gemaakt, waarbij zwaar is meegewogen dat eiser meerdere veroordelingen heeft en zijn terugkeer naar Marokko heeft gefrustreerd.
Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat zijn banden met Nederland zwaarder wegen dan de belangen van de Nederlandse staat, noch dat hij in Marokko geen sociaal vangnet heeft. Ook het beroep op het Gehandicaptenverdrag wordt verworpen wegens het ontbreken van directe werking. De rechtbank wijst het beroep af, maar kent een schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt deels toegewezen en deels afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning afgewezen, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.