ECLI:NL:RVS:2023:797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 augustus 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument af te geven af. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep op 10 september 2021 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden. De Raad van State stelde vast dat de totale procedure bijna drie jaar duurde, terwijl de redelijke termijn twee jaar bedraagt. De overschrijding wordt deels toegerekend aan de staatssecretaris en deels aan de rechtbank.
De Raad van State vernietigde het deel van het vonnis dat de schadevergoeding afwees en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 833 en de Staat tot betaling van € 167 aan de vreemdeling. Tevens werden proceskosten toegewezen, verdeeld tussen de staatssecretaris en de Staat.
Uitkomst: De staatssecretaris en de Staat worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.