ECLI:NL:RBDHA:2026:19759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37884 en NL26.37983
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 59b VwArt. 59c VwArt. 94 lid 1 VwArt. 106 lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en voortvarendheid vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Deze uitspraak betreft de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding.

De rechtbank verklaart het beroep geregistreerd onder NL26.37884 niet-ontvankelijk omdat de kennisgeving van de maatregel, geregistreerd onder NL26.37983, voorrang heeft. Het beroep onder NL26.37983 wordt inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de maatregel voldoet aan de wettelijke voorwaarden, waaronder het bestaan van een onderduikrisico en het ontbreken van minder dwingende maatregelen.

Eiser stelde dat de grondslag van de bewaring ten onrechte was gewijzigd en dat zijn recht op rechtsbijstand was geschonden door onvolledige piketmelding en voortijdig gehoor zonder advocaat. De rechtbank volgt verweerder en verwijst naar jurisprudentie die de procedurele handelwijze rechtvaardigt. Ook het ontbreken van het terugkeerbesluit in het dossier leidt niet tot onvolledigheid.

Ten slotte acht de rechtbank de voortvarendheid van verweerder voldoende, ondanks de noodzaak van een nieuwe laissez-passer en het wachten op de uitspraak in het asielberoep. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.37884 en NL26.37983
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep onder NL26.37884 niet-ontvankelijk is en het beroep onder NL26.37983 ongegrond. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2.1
Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.2
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.3
De rechtbank heeft de beroepen op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

NL26.37884
3. Eiser heeft op 8 juli 2026 beroep ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder NL26.37884. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw volgt dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van Pro de Vw de rechtbank hiervan in kennis stelt. Verweerder heeft de kennisgeving op 8 juli 2026 verstuurd. Deze is geregistreerd onder NL26.37983. Zodra de kennisgeving is ontvangen, wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld. Hoewel het eiser vrij staat om een beroep in te dienen, heeft gelet op het door de wetgever gekozen systeem van rechtsbescherming tegen een opgelegde maatregel van bewaring, de kennisgeving die (daarvoor of daarna) is ingediend voorrang. Het door eiser zelf ingediende beroep, geregistreerd onder NL26.37884, wordt dus niet-ontvankelijk verklaard.
NL26.37983
4.1
Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [2] Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [3] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [4] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [5]
4.2
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [6]
4.3
Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.1
Eiser voert aan dat verweerder de grondslag ten onrecht heeft gewijzigd. Eiser zat in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b van de Vw, omdat hij een asielaanvraag had ingediend. Op 4 juli 2026 is op deze asielaanvraag beslist. Op 8 juli 2026 heeft verweerder eiser opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser heeft op tijd beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen de afwijzende asielbeschikking. Volgens eiser had de vreemdelingenbewaring daarom op grond van artikel 59b van de Vw moeten voortduren.
5.2
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de grondslag terecht is gewijzigd. In artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedurerichtlijn [7] staat opgenomen dat er geen schorsende werking is als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Dat eiser op tijd zijn beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt dit niet anders. Er is namelijk nog niet op het verzoek om een voorlopige voorziening beslist.
6.1
Verder voert eiser aan dat er onvoldoende zorgvuldig is gehandeld en dat er sprake is van een schending op het recht op rechtsbijstand. De gemachtigde van eiser heeft een piketmelding gehad waarin stond dat het ging om een ophouding met als uitreisdatum 7 juli 2026, om 16:20 uur. Het was eisers gemachtigde niet duidelijk wat er aan de hand was. Ook stond in de piketmelding ten onrechte niet vermeld dat eiser had aangegeven rechtsbijstand te willen hebben. Door het latere tijdstip kon hij niemand bereiken. Hij heeft de piketmelding om 16:28 uur geaccepteerd. Volgens het M110-formulier is het gehoor de dag erna om 9:15 uur gestart, zonder aanwezigheid van een advocaat omdat er twee uur waren verstreken. Volgens eiser hadden zij nog niet mogen starten met het gehoor, nu hij graag zijn gemachtigde wenste te spreken.
6.2
De rechtbank begrijpt dat de piketmelding die de gemachtigde van eiser heeft gekregen onvolledig was. In beginsel moet een gemachtigde erop kunnen vertrouwen dat hij een volledige piketmelding krijgt. Dat dat in dit geval niet is gebeurd maakt evenwel niet dat eisers recht op rechtsbijstand is geschonden. De Afdeling [8] heeft in haar uitspraak van 18 januari 2022 [9] bepaald dat de wachttijd van twee uur aanvangt zodra de piketmelding naar de piketcentrale is verzonden. Als de piketmelding buiten openingstijden wordt verzonden, mag pas vanaf 9:00 uur met het gehoor van de vreemdeling worden begonnen, zodat er altijd twee uur is voor de piketcentrale om het bericht door te zetten en de gemachtigde om zich te melden. De piketmelding van eiser is verzonden op 7 juli 2026, om 16:17 uur. Door pas op 8 juli 2026, om 9:15 uur, te starten met het gehoor, heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met bovengenoemde uitspraak van de Afdeling. Verder heeft eiser bij de start van het gehoor aangegeven dat het o.k. was dat zijn gemachtigde niet zou aanschuiven en dat hij later wel contact met hem zou hebben.
7.1
Eiser voert ook aan dat het terugkeerbesluit ontbreekt in het dossier. Volgens hem kan de rechtbank het terugkeerbesluit nu niet controleren.
7.2
Niet in geschil is dat er een terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd op
6 februari 2025. Ook is niet in geschil dat dit terugkeerbesluit al eerder is beoordeeld door de rechtbank. Dat het terugkeerbesluit nu niet in het dossier zit, maakt in deze omstandigheden dan ook niet dat het dossier onvolledig is. De rechtbank is voldoende ingelicht om uitspraak te kunnen doen.
8.1
Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
8.2
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er eerder een LP [10] voor Algerije was. Die LP is inmiddels verlopen. Een LP voor Algerije is maar drie dagen geldig. Daarom moet er eerst een vlucht worden geboekt, voordat de LP wordt afgegeven. Op dit moment wacht verweerder op de uitspraak in eisers asielberoep, zodat hij daarna de LP-aanvraag en het boeken van de vlucht op kan pakken. Nu dit beroep gepland staat op 22 juli 2026, acht de rechtbank verweerders handelingen voldoende voortvarend.
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [11]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep onder NL26.37884 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring onder NL26.37983 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
In het beroep onder nummer NL26.37884
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
In het beroep onder nummer NL26.37983
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
7.VERORDENING (EU) 2024/1348 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Laissez-passer.
11.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.