ECLI:NL:RBDHA:2026:19760
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel die op 10 juni 2026 tegen haar is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd omdat eiseres een asielaanvraag aan de grens deed zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden tot Nederland. De rechtbank heeft het beroep schriftelijk behandeld en de gronden van eiseres beoordeeld.
Eiseres voerde meerdere bezwaren aan, waaronder het ontbreken van een wettelijke bewaringsgrond, het niet toepassen van een lichter middel, verblijf in het Justitieel Complex Schiphol in plaats van Detentiecentrum Zeist, schending van het hoorrecht, en voortduring van de maatregel na het opheffingsbesluit. Daarnaast stelde zij dat de maatregel in strijd was met Europese regelgeving en het migratiepact.
De rechtbank oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel terecht was opgelegd vanwege het grensbewakingsbelang en dat de uitzonderingen op toepassing van de maatregel niet van toepassing waren. De rechtbank verwierp de stellingen over schending van het hoorrecht en het verblijf in het Justitieel Complex Schiphol, en concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was uitgevoerd. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De rechtbank wees ook op het feit dat de wijzigingen uit het migratiepact niet van toepassing waren op de maatregel omdat deze vóór de ingangsdatum van de wijzigingen was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.