ECLI:NL:RBDHA:2026:19760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 10 lid 4 Richtlijn (EU) 2024/1346
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel die op 10 juni 2026 tegen haar is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd omdat eiseres een asielaanvraag aan de grens deed zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden tot Nederland. De rechtbank heeft het beroep schriftelijk behandeld en de gronden van eiseres beoordeeld.

Eiseres voerde meerdere bezwaren aan, waaronder het ontbreken van een wettelijke bewaringsgrond, het niet toepassen van een lichter middel, verblijf in het Justitieel Complex Schiphol in plaats van Detentiecentrum Zeist, schending van het hoorrecht, en voortduring van de maatregel na het opheffingsbesluit. Daarnaast stelde zij dat de maatregel in strijd was met Europese regelgeving en het migratiepact.

De rechtbank oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel terecht was opgelegd vanwege het grensbewakingsbelang en dat de uitzonderingen op toepassing van de maatregel niet van toepassing waren. De rechtbank verwierp de stellingen over schending van het hoorrecht en het verblijf in het Justitieel Complex Schiphol, en concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was uitgevoerd. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.

De rechtbank wees ook op het feit dat de wijzigingen uit het migratiepact niet van toepassing waren op de maatregel omdat deze vóór de ingangsdatum van de wijzigingen was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33138

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 23 juni 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 25 juni 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 29 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiseres voert allereerst aan dat de wettelijke bewaringsgrond ontbreekt. [3] Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Ten derde moest eiseres in strijd met de werkafspraken verblijven in het Justitieel Complex Schiphol in plaats van Detentiecentrum Zeist. Ten vierde heeft verweerder niet gemotiveerd of de bewaring voor eiseres strikt noodzakelijk is. [4] Ten vijfde betoogt eiseres dat de grondslag voor detentie is vervallen omdat de grensprocedure niet op haar van toepassing was. [5] Ten zesde had verweerder gelet op de kwetsbaarheid van eiseres een beoordeling moeten maken van haar bijzondere procedurele behoeften. [6] Ten zevende is de maatregel in strijd met de Screeningsverordening [7] , omdat er geen screening heeft plaatsgevonden dan wel sprake is van overschrijding van de screeningstermijn. Ten achtste heeft verweerder het hoorrecht van eiseres geschonden. [8] Ten slotte heeft de maatregel ten onrechte voortgeduurd na het opheffingsbesluit. Daarom verzoekt eiseres om een schadevergoeding.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Gronden met betrekking tot het migratiepact
6. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden van eiseres die gebaseerd zijn op het migratiepact, zoals de gronden over de Opvangrichtlijn, de Screeningsverordening en de Asielprocedureverordening, niet slagen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wijzigingen als gevolg van het migratiepact niet van toepassing zijn op eiser, omdat de maatregel op 10 juni 2026 is opgelegd en de wijzingen van toepassing zijn op maatregelen die zijn opgelegd vanaf 12 juni 2026. [9]
Lichter middel
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 10 juni 2026 een asielaanvraag aan de grens heeft ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. [10] Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [11] Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiseres, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat haar belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op dat hoewel eiseres zwanger is, zij in Detentiecentrum Zeist verbleef waar zij toegang had tot de benodigde zorg.
Verblijf in Justitieel Complex Schiphol
8. De rechtbank is het niet eens met eiseres dat haar verblijf in het Justitieel Complex Schiphol in strijd was met de geldende werkafspraken. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat de werkafspraak is dat zwangere vrouwen alleen tussen 08:00 uur en 17:00 uur naar het Detentiecentrum Zeist worden vervoerd en dat zij buiten die tijden de volgende dag naar het Detentiecentrum Zeist gaan. Eiseres heeft slechts een nacht op Justitieel Complex Schiphol verbleven en is in overeenstemming met de werkafspraken de volgende dag naar Detentiecentrum Zeist gebracht.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het recht van eiseres om gehoord te worden niet heeft geschonden. Zoals verweerder heeft benadrukt is eiseres tijdens het gehoor in de gelegenheid gesteld om te verklaren. Dat haar echtgenoot (voornamelijk) het woord heeft gevoerd namens haar tijdens het gehoor, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiseres niet aangevoerd wat zij tijdens het gehoor verder naar voren had willen brengen. Tijdens het gehoor is de medische situatie van de zwangerschap eiseres naar voren gekomen en zoals eerder overwogen heeft verweerder hiermee rekening gehouden door haar in het Detentiecentrum Zeist te plaatsen.
Toepassing grensprocedure
10. De rechtbank is het niet eens met eiseres dat de grondslag voor detentie met terugwerkende kracht is vervallen omdat de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven vanwege het feit dat de zaak van eiseres zich niet leent voor de grensprocedure. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te concluderen dat op een eerder moment al duidelijk moest zijn dat de asielaanvraag van eiseres zich niet leende voor de grensprocedure en dat de maatregel eerder dan 21 juni 2026 opgeheven had moeten worden.
Voortduring maatregel na opheffingsbesluit
11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de maatregel ten onrechte heeft voortgeduurd na het opheffingsbesluit omdat de maatregel op 21 juni 2026 is opgeheven en eiseres pas op 22 juni 2026 in vrijheid is gesteld. Eiseres heeft namelijk op 21 juni 2026 getekend voor een vrijwillig verblijf van een nacht op Detentiecentrum Zeist.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
2.Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenbesluit 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
3.In strijd met artikel 10, vierde lid, van de Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (de Opvangrichtlijn).
4.In strijd met artikel 11 lid 1 van Pro de Opvangrichtlijn.
5.In strijd met artikel 22 van Pro Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (de Asielprocedureverordening).
6.Op grond van artikel 20 van Pro de Asielprocedureverordening.
7.Verordening (EU) 2024/1356 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot invoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/817.
8.In strijd met artikel 22 van Pro de Asielprocedureverordening.
9.Dit volgt uit artikel IX, derde lid, van de Uitvoerings- en Implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026.
10.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.