ECLI:NL:RBDHA:2026:19761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33145
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 10 lid 4 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel die op 10 juni 2026 aan hem is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang nadat eiser een asielaanvraag aan de grens had ingediend zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden tot Nederland.

Eiser voerde meerdere gronden aan, waaronder het ontbreken van een wettelijke bewaringsgrond, onvoldoende motivering voor het niet toepassen van een lichter middel, onrechtmatigheid van de grensprocedure, schending van artikel 8 EVRM Pro vanwege de zwangerschap van zijn echtgenote, en voortduring van de maatregel na het opheffingsbesluit. De rechtbank oordeelt dat de wijzigingen uit het migratiepact niet van toepassing zijn omdat de maatregel vóór de ingangsdatum van die wijzigingen is opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel terecht is opgelegd en voortgezet tot 21 juni 2026, dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen, en dat het verblijf in het Justitieel Complex Schiphol en later Detentiecentrum Zeist conform de geldende werkafspraken is verlopen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33145

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 23 juni 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 25 juni 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 29 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiser voert allereerst aan dat de wettelijke bewaringsgrond ontbreekt, in strijd met artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Ten derde betoogt eiser dat de grondslag voor detentie is vervallen omdat de grensprocedure niet op hem van toepassing was. [3] Ten vierde had verweerder gelet op de kwetsbaarheid van eiser een beoordeling moeten maken van zijn bijzondere procedurele behoeften. [4] Ten vijfde is de maatregel in strijd met de Screeningsverordening, omdat er geen screening heeft plaatsgevonden dan wel sprake is van overschrijding van de screeningstermijn. Ten zesde ontbreken de gronden van de maatregel. [5] Ten slotte heeft de maatregel ten onrechte voortgeduurd na het opheffingsbesluit. Daarom verzoekt eiser om een schadevergoeding.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Gronden met betrekking tot het migratiepact
6. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden van eiser die gebaseerd zijn op het migratiepact, zoals de gronden over de Opvangrichtlijn, de Screeningsverordening en de Asielprocedureverordening, niet slagen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wijzigingen als gevolg van het migratiepact niet van toepassing zijn op eiser, omdat de maatregel op 10 juni 2026 is opgelegd en de wijzingen van toepassing zijn op maatregelen die zijn opgelegd vanaf 12 juni 2026. [6]
Lichter middel
7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 10 juni 2026 een asielaanvraag aan de grens heeft ingediend, terwijl hij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. [7] Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [8] Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiser, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat zijn belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Hierbij is van belang dat eiser tijdens het gehoor heeft aangegeven dat hij geen bezwaren heeft tegen de oplegging van de maatregel en heeft verklaard dat hij gezond is en geen medicatie gebruikt.
Toepassing grensprocedure
8. De rechtbank is het niet eens met eiser dat de grondslag voor detentie met terugwerkende kracht is vervallen omdat de grensprocedure niet van toepassing was op eiser. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te concluderen dat op een eerder moment al duidelijk moest zijn dat de asielaanvraag van eiser zich niet leende voor de grensprocedure en dat de maatregel eerder dan 21 juni 2026 opgeheven had moeten worden.
Verblijf in Justitieel Complex Schiphol
9. Voor zover eiser aanvoert dat zijn verblijf in het Justitieel Complex Schiphol in strijd was met de geldende werkafspraken omdat zijn echtgenote zwanger is, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat de werkafspraak is dat zwangere vrouwen alleen tussen 08:00 uur en 17:00 uur naar Detentiecentrum Zeist worden vervoerd en dat zij buiten die tijden de volgende dag naar Detentiecentrum Zeist gaan. Eiser en zijn echtgenote hebben slechts een nacht op Justitieel Complex Schiphol verbleven en zijn in overeenstemming met de werkafspraken de volgende dag naar Detentiecentrum Zeist gebracht.
Artikel 8 EVRM Pro
10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de maatregel in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM omdat eisers echtgenote zwanger is. Zoals verweerder terecht heeft benadrukt, zijn eiser en zijn echtgenote samen in het Detentiecentrum Zeist geplaatst.
Voortduring maatregel na opheffingsbesluit
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de maatregel ten onrechte heeft voortgeduurd na het opheffingsbesluit omdat de maatregel op 21 juni 2026 is opgeheven en eiser op 22 juni 2026 in vrijheid is gesteld. Eiser heeft namelijk op 21 juni 2026 getekend voor een vrijwillig verblijf van een nacht op Detentiecentrum Zeist.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
2.Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenbesluit 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
3.In strijd met artikel 22 van Pro de Asielprocedureverordening.
4.Op grond van artikel 20 van Pro de Asielprocedureverordening
5.In strijd met artikel 21, tweede lid van de Asielprocedureverordening en artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6.Dit volgt uit artikel IX, derde lid, van de Uitvoerings- en Implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.