ECLI:NL:RBDHA:2026:19761
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel die op 10 juni 2026 aan hem is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang nadat eiser een asielaanvraag aan de grens had ingediend zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden tot Nederland.
Eiser voerde meerdere gronden aan, waaronder het ontbreken van een wettelijke bewaringsgrond, onvoldoende motivering voor het niet toepassen van een lichter middel, onrechtmatigheid van de grensprocedure, schending van artikel 8 EVRM Pro vanwege de zwangerschap van zijn echtgenote, en voortduring van de maatregel na het opheffingsbesluit. De rechtbank oordeelt dat de wijzigingen uit het migratiepact niet van toepassing zijn omdat de maatregel vóór de ingangsdatum van die wijzigingen is opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel terecht is opgelegd en voortgezet tot 21 juni 2026, dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen, en dat het verblijf in het Justitieel Complex Schiphol en later Detentiecentrum Zeist conform de geldende werkafspraken is verlopen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.