ECLI:NL:RBDHA:2026:19765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24547 en NL26.24548
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiseres, met de Tanzaniaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek.

Eiseres betoogde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom overdracht aan Frankrijk niet zou leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. Zij verwees naar obstakels in het Franse opvangsysteem en haar kwetsbaarheid als lesbienne. Tevens stelde zij dat de minister had moeten beoordelen of individuele garanties nodig waren en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening van toepassing zou moeten zijn.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Frankrijk niet aan zijn verplichtingen voldoet. De persoonlijke omstandigheden van eiseres en haar eerdere verblijf in Frankrijk gaven geen aanleiding tot het aannemen van een reëel risico op een schending van haar rechten. Ook was er geen grond voor het toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Daarom werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.24547 en NL26.24548
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Tanzaniaanse nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn van de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom overdracht aan Frankrijk in het specifieke geval van eiseres niet leidt tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres tijdens het Dublingehoor onvoldoende betrokken. Uit de actuele AIDA-informatie volgt dat Dublinclaimanten in Frankrijk belangrijke obstakels ondervinden bij toegang tot opvangcentra en dat er sprake is van een tekort aan opvangplaatsen. Eiseres is extra kwetsbaar en verweerder is verplicht om hiermee rekening te houden. [2] Verweerder had ook moeten beoordelen of individuele garanties nodig zijn. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiseres bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [3] of artikel 4 van Pro het Handvest. [4] De tekortkomingen moeten een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat voor Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De hoogste bestuursrechter [5] heeft in de uitspraak van 11 april 2025 [6] geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 31 juli 2025 [7] heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst dan volgt uit de landeninformatie die de Afdeling eerder heeft betrokken bij de beoordeling. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen.
5.2.
Ook het persoonlijke relaas van eiseres leidt niet tot de conclusie dat zij bij overdracht naar Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres voldoende betrokken in het bestreden besluit. Zo heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt zij een reëel risico loopt op een slechte behandeling door haar stellingen dat zij afkeurende blikken kreeg vanwege haar uiterlijke verschijning, dat zij in Frankrijk vreest voor discriminatie vanwege haar geaardheid, dat veel asielzoekers op straat verblijven en dat zij als lesbienne extra kwetsbaar is. Hierbij is van belang dat eiseres, weliswaar tijdens haar korte verblijf, in Frankrijk geen persoonlijke problemen heeft ondervonden en dat zij niet heeft aangetoond waarom zij alleen door haar seksuele geaardheid problemen zal ondervinden in Frankrijk. Verder mag van eiseres worden verwacht dat als zij toch problemen ondervindt met de Franse asielprocedure, opvang, of anderszins, zij zich beklaagt bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor haar niet is of dat de Franse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om mee te gaan in de stelling van eiseres dat verweerder bij de Franse autoriteiten om individuele garanties moet vragen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat haar overdracht aan Frankrijk van een zodanig onevenredige hardheid getuigen dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals de rechtbank ook heeft betrokken bij de vraag of er voor Frankrijk nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, heeft eiseres eerder in Frankrijk geen problemen ondervonden en heeft zij niet onderbouwd waarom zij extra kwetsbaar is.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 21 van Pro de Opvangrichtlijn 2013/33/EU.
3.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
6.Uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
7.Uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.